door: Taco Hermans en Jan Kamphuis
Inleiding
De in
Santpoort-Zuid gelegen ruïne van Brederode bestaat uit de restanten van een
rechthoekig hoofdgebouw en een onregelmatig gevormde voorburcht (afb. 1 en 2).
Voorts bevindt zich ten oosten van de voorburcht het omgrachte terrein van de
voormalige voorhof. Ten westen van de hoofdburcht is een cirkelvormige
grondkeringsmuur in de gracht gelegen.
De regelmatige vorm van het
hoofdgebouw doet een eenvoudige bouwgeschiedenis vermoeden. Deze eenvoud is
echter bedrieglijk: in de vele, aan de bouwgeschiedenis van het kasteel gewijde,
publicaties kan men evenzoveel verschillende interpretaties aantreffen. Een
groot deel van de ruïne is in de vorige eeuw opgegraven en vervolgens
reconstruerend gerestaureerd. Het onderzoeken van de bouwgeschiedenis wordt
belemmerd door het ontbreken van documentatie in schrift en beeld van wat men
vóór en ná de ontgraving in de 19de eeuw heeft aangetroffen. Ook de daarop
volgende reconstruerende restauraties vertroebelen het inzicht in de
plattegrondontwikkeling. Men heeft toen veel bouwsporen toegevoegd om de ruïne
een middeleeuws, weerbaar karakter te geven. Door verwering zijn deze bouwsporen
bedrieglijk authentiek gaan lijken en hebben daarom diverse onderzoekers op het
foute been gezet. In hoofdstuk 1: "Bouwgeschiedenis" worden de nieuwste
inzichten ten aanzien van de bouwgeschiedenis nader toegelicht.
Brederode is
één van de eerste gebouwen die, vanwege hun historische waarde, met gelden van
het rijk zijn gerestaureerd. Deze in 1862 aangevangen restauratie werd, zoals
hierboven reeds vermeld, geheel naar de geest van de tijd reconstruerend naar de
vermeende middeleeuwse situatie uitgevoerd. Door gebrek aan geld en
restauratievakkennis werden de werkzaamheden op een thans te bekritiseren wijze
uitgevoerd. Ondanks de constructieve en bouwhistorische tekortkomingen van de
reconstructie, die thans het onderhoud én het onderzoek bemoeilijken, heeft deze
reconstructie wél geleid tot het behoud van de ruïne.
De voortgang - en
de problemen - van de eerste kasteelrestauratie in Nederland wordt is hoofdstuk
2: "de Restauratie" beschreven.
Het huidige opgaande muurwerk van de ruïne
van Brederode bevat vele unieke bouwsporen. Deze bouwsporen worden in hoofdstuk
3 nader toegelicht.
Nomenclatuur
Het complex is
opgebouwd uit verschillende bouwvolumes. In het hiernavolgende zullen de
volgende namen en nummers voor de verschillende gedeelten van het gebouw worden
toegepast, de nummers corresponderen met de nummering op de plattegrond van afb.
1.
Hoofdburcht:
1)
Binnenpoort.
De poorttoren van de hoofdburcht; de poort is voorzien van een
brugkelder. Door de naam "Binnenpoort" onderscheidt de poort zich van de
poorttoren van de voorburcht; dit is de "buitenpoort": bouwdeel 12;
2)
Middentoren.
De naam van de ten noorden van de Binnenpoort gelegen toren
berust niet op een historische grondslag; hij is, bij gebrek aan beter,
gemakshalve gekozen omdat de toren tussen de poorttoren en de Donjon is gelegen.
In oudere publicaties heeft deze toren weleens de onjuiste benaming "Donjon"
gekregen. Men veronderstelde dat de toren één geheel vormde met de
noord-oosttoren: beide torens zouden een dubbele Donjon vormen (1);
3) Donjon.
De
noord-oosttoren draagt ten onrechte de naam "Donjon". Deze uit de Franse taal
afkomstige benaming heeft een betekenis, die hier niet geheel van toepassing is
(2):
- het is de hoofdtoren van een
kasteelcomplex, die zich door zijn dimensies duidelijk onderscheidt van de
overige fortificaties;
- deze toren is bij een belegering het laatste
toevluchtsoord;
- vanuit de toren wordt het omliggende kasteelterrein
beheerst en een eventuele belegering geleid;
- de lagere verdieping(en) van
de toren bevatten opslagruimten;
- soms bevat de toren woonruimte voor de
kasteelheer.
Ook de benaming woontoren is hier niet van toepassing, omdat de
toren niet solitair heeft gestaan en een waterput in de toren niet is
aangetoond. Het betreft hier dus niet meer dan een hoektoren, die hoogstens,
gezien de aparte traptoren en de ernaast gelegen zaalbouw, een belangrijkere
functie bekleedde dan de andere hoektorens.
Om niet te veel af te wijken van
de ingeburgerde naamgeving ter plaatse, wordt de naam "Donjon" in deze
publikatie gehandhaafd.
4)
Keukenvleugel.
De kelder van de noordvleugel bevatte de keuken van het
kasteel; dit valt af te leiden uit de twee ovens die zich in de zuidwand
bevinden. Op de begane grond was vóór 1426 mogelijk de kapel gesitueerd. Deze
ruimte had hoge vensters, hooggeplaatste kaarsnissen en een blinde oostwand. Het
vertrek had een hoogte van ca. 6,5 m. Na 1464 werd de kapel omgebouwd tot zaal
en werd de kapel verplaatst naar de noord-westtoren. Dit blijkt uit een tekening
die uit 1499 zou dateren. Deze tekening toont de plattegrond en de noordgevel
van het kasteel en zou zijn vervaardigd in opdracht van Yolande van Lalaing,
weduwe van Heer Reinout van Brederode (afb. 3) (3). Blijkens de tekening bevond zich in 1499 in
bouwvolume 4 "die hal hier sit die hooghe raede"
5) Ridderzaal,
noordelijk gedeelte.
Bouwdeel 5 bevatte tot 1426, samen met bouwdeel 7, op de
begane grond de grote (ridder)zaal. De aanduiding "Ridderzaal" heeft deze ruimte
gekregen in analogie met andere kastelen, waar de vertrekken van de hoofdvleugel
zijn opgedeeld in de verhouding 1 : 2. Na 1464 werd dit gedeelte van de
middeleeuwse grote zaal tot een zelfstandig bouwvolume
getransformeerd.
6) Kapel- of
noord-oosttoren.
Na 1464 is de kapel van bouwvolume 4) naar de begane grond
van deze toren verplaatst. Ruimte 1 op de 15de eeuwse plattegrond wordt "die
Capelle" genoemd (afb. 3).
7) Ridderzaal,
zuidelijk gedeelte.
Bouwdeel 7 is het zuidelijke gedeelte van de
middeleeuwse grote zaal. Dit gedeelte werd in 1426 verwoest en in tegenstelling
tot het noordelijk gedeelte, in 1464 niet hersteld.
8)
Kemenade.
Bouwdeel 8 zal, volgens de gebruikelijke indeling van een
hoofdvleugel van een middeleeuws kasteel, op de begane grond de Kemenade hebben
bevat. De Kemenade is het verwarmbare (vrouwen-) verblijf van een middeleeuwse
burcht.
9) Tedburgha- of
zuid-oosttoren.
De zuid-oosttoren heeft in de vorige eeuw de naam
"Tedburghatoren" gekregen. Ook deze naam werd afgeleid van de 15de eeuwse
plattegrond. Opmerkelijk is dat de vierkante Tedburghatoren op de plattegrond
een ronde vorm heeft gekregen. De reden van deze afwijkende vorm is dat, toen de
plattegrond werd gemaakt, deze toren op dat moment ruim 75 jaar onder puin en
aarde was bedekt. Met andere woorden, men heeft een toren, Tedburghatoren
genaamd, getekend die niet waarneembaar was. De toren zal in 1499 in de
plattegrond zijn opgenomen om de zogenaamde Sivaert-Brederode-legende
betrouwbaar te laten lijken: Tedburgha van Staveren zou de vrouw zijn van
Sivaert, de stamvader van het huis Brederode. Deze Sivaert zou de tweede zoon
van Arnoud, graaf van Holland zijn en daarom zouden de heren van Brederode
rechtstreeks van de graven van Holland afstammen (4). Ook Van der Aa liet zich in deze bewoordingen
uit:
"De oude kronieken willen, dat de Heeren van Brederode uit het
gravelijk huis van Holland voortgekomen zijn, en stellen tot eersten stamvader
van dit geslacht zekeren Sifried of Sivaart, die door de Friezen Sicco genoemd
wordt, en zoon was van Arnoud, Graaf van Holland, en een broeder van Dirk
III.
Deze Sifried zoude zich mishuwelijkt hebben, aan eene jonge dochter van
geringen stand, uit het dorp Castricum, genaamd Tetburg, waarover hij met de
graaf zijnen broeder in onmin geraakte: dan, daarna weder met hem verzoend
zijnde, zoude hij van dezen het slot Brederode, benevens eenige onderhoorige
dorpen en andere goederen, zoo in Zuid- als in Noord-Holland gelegen, en onder
deze ook Teilingen en Sassenheim, met het regt van hooge heerlijkheid ontvangen
hebben. Sifried, in 1033 gestorven zijnde, liet twee zonen na, Diderik en Simon
genaamd, van welke de eerste het geslacht Brederode heeft voortgeplant..." (5)
10) Sivaard- of
ronde toren.
De ronde toren op de zuidwesthoek van het binnenplein heeft in
de vorige eeuw de naam Sivaardtoren gekregen, naar de vermeende stamvader van
het geslacht Brederode (zie het betoog over de Sivaert- en Tedburghalegende bij
bouwdeel 9).
11)
Binnenplein.
Het middeleeuwse binnenplein van kasteel Brederode werd aan de
noord-en westzijde omsloten door woonvleugels. De oost- en zuidzijde werden
gevormd door walmuren. In de hoek tussen de woonvleugels werd een traptoren
opgetrokken. Van deze traptoren is thans vrijwel geen muurwerk meer
waarneembaar.
Het binnenplein kent thans twee niveaus:
- aan de noordzijde
langs de Keukenvleugel een strook van ca. 4 m breedte op het middeleeuwse
loopvlak. Dit terrein wordt het "Perron" genoemd;
- zuidelijk van het perron
het overige deel van het binnenplein; het loopvlak van dit gedeelte ligt 2,25 m
lager dan het "Perron".
In de vorige eeuw heeft men tijdens het opgraven het
middeleeuwse loopvlak van het binnenplein niet onderkend. Het huidige loopvlak
bevindt zich globaal op het niveau van het middeleeuwse maaiveld vóór het bouwen
van het kasteel.
Voorburcht:
12) Buitenpoort.
De poort van de voorburcht bevatte, evenals de Binnenpoort, een brugkelder. In tegelstelling tot de Binnenpoort bevat de westzijde van de toren geen stenen muur. Hier vormde een houten gevel op een stijl- en regelwerk de afsluiting. Deze gevel kon in roerige tijden eenvoudig worden weggenomen, opdat de poorttoren vanuit de hoofdburcht kon worden gecontroleerd.
13) Beheerderswoning.
De beheerderswoning bevat zeer oude elementen. De woning heeft voortdurend deel uitgemaakt van de boerderij, die op de voorburcht stond.
HOOFDSTUK 1: BOUWGESCHIEDENIS
1.1 Ligging en Waterhuishouding
Het kasteel
Brederode te Santpoort is in de middeleeuwen op een uitloper van een strandwal
gebouwd. "Santpoort vormde de toegang (poort) tot de zandrug waarop Brederode
gebouwd werd" (6). De uitloper van de strandwal
is zuidwest-noordoost georiënteerd en verdwijnt ter plaatse van de ruïne onder
het veen (afb. 4) (7). Het middeleeuwse kasteel
was op deze wijze gelegen op een stevige ondergrond en aan drie zijden omgeven
door veen; een zeer weloverwogen bouwplaats.
Omstreeks 1500 v. Chr. ontstond de strandwal. De vorming van duinen kwam omstreeks het begin van de jaartelling tot stilstand. Op de strandvlakten - tussen en achter de strandwallen - vormden zich toen uitgestrekte moerassen en venen.
Vanaf de 12de eeuw voerde de zee weer veel zand aan (8). Tegelijkertijd steeg de zeespiegel. Het IJsselmeer breidde zich daardoor enorm uit en het IJ dreigde een binnenzee te worden (9). Na een daaruit voortvloeiende overstroming in 1220-1221 werden door de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht maatregelen getroffen om watersnoodrampen in de toekomst te voorkomen. Er werden dijken aangelegd en het Spaarne werd afgedamd (10).
Met het door de zee aangevoerde zand - en daarna drooggevallen door zon en wind - ontstonden op de oude strandwallen en op het veen de "Jonge Duinen" (afb. 4). Het jonge duinzand kon op sommige plaatsen diep het veen indringen. De mens had namelijk in de 11de en 12de eeuw veel bossen gekapt, die op de - met moeras en veen bedekte - strandvlakten stonden (11). De naam "Holland" wordt wel eens verklaard door naar deze natuurlijke rijkdom te verwijzen: "Holtland" = houtland.
Door de vorming van de jonge duinen en de afdekking van het veen met jong duinzand, steeg de grondwaterspiegel geleidelijk. In de drie eeuwen na 1100 zal de stijging van de grondwaterstand ongeveer 0,5 à 0,75 m hebben bedragen. In het gebied rondom de huidige ruïne kan het grondwaterniveau zelfs nog iets meer zijn gestegen vanwege de onmiddellijke nabijheid van de jonge duinen.
Door middel van beken heeft men de waterstand rondom de huidige ruïne geregeld; het water werd in noordoostelijke richting op het IJ geloosd. Pas nadat deze afwatering was verzorgd, kon men een aanvang maken met het ontginnen van het veen. Daaraansluitend zal aan het einde van de 13de eeuw het eerste kasteel van Brederode op de hierboven beschreven uitloper zijn gebouwd.
Tussen 1500 en 1800 kwamen de verstuivingen in oostelijke richting tot stilstand. De grondwaterstand was, ondermeer door kwelwater, aan de voet van de jonge duinen zo hoog geworden, dat zij het verder landinwaarts stuiven van het zand belette. Met het beschikbare zand werden de reeds bestaande jonge duinen sterk verhoogd. De oostelijke begrenzing van deze duinen liep vlak langs Brederode. Met het hoger worden van het duinlandschap steeg de grondwaterspiegel. Er mag worden aangenomen dat omstreeks 1500 het middeleeuwse maaiveld rond het kasteel behoorlijk drassig was.
In de 19de en
vooral 20ste eeuw is de grondwaterstand verlaagd door het oppompen van water
door het "Provinciaal Ziekenhuis", het voormalig gesticht "Meerenberg".
Daarnaast doet zich thans, vooral in de zomer, de invloed van het zwembad
"Velserend" gelden. In die periode pompt men grondwater op om het bad te
verversen. Met het afvalwater worden de grachten van de ruïne gevoed. Kortom: de
huidige (gemiddelde) grondwaterstand is niet natuurlijk en tenminste ca. 0,5 m
lager dan tijdens de bouw van het kasteel.
1.2 Datering eerste bouwactiviteiten in historisch perspectief.
Het Rijnland was tot omstreeks 1130 Utrechts gebied. Allan vermoedt dat langs de grenzen van het Rijnland bossen hebben gelegen (12). Eén van die bossen was gelegen tussen Hillegom en Santpoort en aan de oostzijde begrensd door plassen waaruit later het Haarlemmermeer is ontstaan. Dit bos zou vanaf 1221, na het afdammen van het Spaarne, ontgonnen kunnen zijn. De Heren Brederode worden voor het eerst genoemd in 1244 (13). De naam Brederode zou herleid kunnen worden van "brede-rode" = breed stuk bosgrond dat gerooid en bewerkt werd om er bouwland van te maken (14).
Na een grote overstroming in 1272 werd een extra dijk ter bescherming van het Kennemerland aangelegd; de zogenaamde Santpoorter- of Brederodedijk (15).
In 1282 werd de vrije heerlijkheid van Brederode in het leven geroepen. De aanleg van de dijk en het ontstaan van de vrije heerlijkheid, geven aanleiding om de bouw van het eerste kasteel Brederode in het laatste kwart van de 13de eeuw te plaatsen (16).
Er bestaan vermoedens over nog vroegere bebouwing op het kasteelterrein. Zo zou er in het begin van de 13de eeuw een ronde burcht te Brederode hebben gestaan, waarvan de resten nu nog ten westen van het kasteel zouden zijn te zien (17). De speculaties over deze vroegere bebouwing kunnen worden ontzenuwd door te verwijzen naar het relatief laat in ontginning brengen van het gebied rondom Brederode. Uit de resultaten van de opgraving van de westelijke ringmuur in 1969, verricht door de Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling Velsen, is gebleken dat de vermeende burcht een ringmuur is die uit de 15de eeuw dateert (18).
Pas in 1321 wordt het kasteel van Brederode voor het eerst genoemd. Blijkens de in dat jaar opgemaakte huwelijkse voorwaarden van Isabella de Fontaines en Hendrik I van Brederode, krijgt Isabella als lijftocht (weduwengoed) "dat huys ende die woninghe tot Brederoede also, alse die gheleghen es, ende dair toe hondert pond Hollants tsjaers" (19).
1.3 Bouwgeschiedenis.
Bouwfase 1: 1282-1318.
De vorm van het oudste kasteel van Brederode is niet met behulp van topografische of archivalische gegevens vast te stellen. Uit de resultaten van het bouwhistorisch onderzoek is gebleken, dat het huidige, opgaande muurwerk van na 1350 is. Er zijn echter aanwijzingen die duiden op een oudere bebouwing: een vierhoekige toren. Daar muurwerk van deze oudere bebouwing (nog) niet is aangetoond kan deze hypothetische toren niet als bouwfase worden opgenomen. In bijlage I wordt het bestaanrecht van de torenhypothese nader toegelicht.
Omstreeks 1300 werd
een aanvang gemaakt met de bouw van de hoofdburcht, hiervoor moest de woontoren
wijken. De voltooiing van dit kasteel zal voor 1318 een feit zijn: de toenmalige
heer van Brederode, Dirk II stierf in 1318 te Reims, terugkerend van een
bedevaart. Dirk zal bezwaarlijk zowel op bedevaart kunnen zijn, als te Santpoort
de bouw van zijn kasteel coördineren. Het is echter ook denkbaar dat Dirks
opvolger Hendrik I grote kapitalen aan de bouw besteed heeft: "In april 1326
waren hun schulden zo hoog opgelopen dat de graaf zijn ambtenaren moest opdragen
Hendrik van Brederode en zijn vrouw niet aan te slaan ... Kennelijk ging de
aantasting van Brederode's prestige graaf Willem IV toen te ver" (20).
Er werd een gebouw opgetrokken, dat qua plattegrond overeenkomsten vertoont met de huidige ruïne. De plattegrond is vierkant met - vermoedelijk - langs twee zijden woonvleugels en torens op de vier hoeken en aan de oostzijde een poorttoren (afb. 5, fase 1). Een voor die tijd moderne opzet. De bijna gelijktijdig gebouwde kastelen Medemblik en Muiderslot zijn qua hoofdvorm identiek aan Brederode. In tegenstelling tot deze kastelen heeft Brederode op de hoeken van de woonvleugels vierkante torens in plaats van de door hun vorm steviger ronde torens. Opvallend is dat de hoektoren van het binnenplein wèl een ronde vorm heeft. Dit verschil kan verklaard worden door aan te nemen dat bij Brederode, als "huis" van een edelman, meer nadruk is gelegd op het woongenot. Een vierkante kamer is immers beter als woonvertrek in te richten dan een ronde ruimte.
Het binnenplein ontstond door het 13de eeuwse maaiveld (eventueel het loopvlak, behorend bij de hypothetische woontoren; zie bijlage 1), op te hogen tot het huidige perronniveau. Voor de ophoging zal ondermeer puin zijn gebruikt: "...dat men den hof bij het maken der fundeering met behulp van den opgegraven grond en ook van ongebruikte bakstenen en keistenen had opgehoogd." (21).
Van dit kasteel resteren, na de verwoesting in 1351, thans slechts de funderingen. Door het ontbreken van opgaand metselwerk is niet meer na te gaan hoe hoog het gebouw is geweest.
Het zal dit gebouw
zijn, dat in 1321 werd bedoeld bij de omschrijving van de huwelijkse voorwaarden
van Isabella de Fontaines en Hendrik I van Brederode.
Bouwfase 2: 1354-ca 1360.
Zoals hierboven vermeld mogen in de periode 1325-1350, in verband met de financiële positie van de Brederodes, niet veel bouwactiviteiten worden verondersteld. Hendrik moet zelfs het hele Brederoodse bezit aan Jan I van Polanen verpanden (22). "Op 13 september 1337 verklaarde Jan I van Polanen aan de graaf, dat hij Hendrik de goederen die hij in pand hield.....zou teruggeven." (23). Dirk III volgde in 1345 zijn oom Hendrik I als heer van Brederode op. Hij was van 1344 tot 1348 baljuw van Kennemerland. De veronderstelling dat deze Dirk in 1346 versterkingen op Brederode heeft aangelegd "in verband met de onrust onder de Kennemers" berust op een misverstand (24). De door Brokken aangehaalde rekening betreft echter het herstel van de Nieuwburg bij Alkmaar (dus niet Brederode) (25). Wel blijkt uit de bedoelde rekening dat de tijden woelig waren: Heer Dirk heeft kosten gemaakt om huursoldaten (wapentuers) te betalen: "Item van cost die Hair Dirc ghedaen heeft op den Huyse van Brederode om[me] der onruste wille tuske[n] minre v[r]uwen der Keyserinne en[de] den Kenemaers daer hi die p[er]tikelen van den wapentuers op ov[er]ghelevert heeft coemt tegader LV lb VI s VIIId" (26).
Het kasteel werd in 1351 tenminste drie maanden door Gijsbrecht van Nijenrode, maarschalk van Graaf Willem V, belegerd en op 23 oktober bij verdrag overgeven (27). Volgens Van Rijen werd pas na 12 juli het beleg om het kasteel gelegd (28). Brokken verondersteld dat de belegering van omstreeks de eerste juni tot medio oktober heeft geduurd (29). Tijdens dit beleg zijn belegeringswerktuigen - een blijde en een evenhoge -gebruikt:
[d]it es dat Florens van Alcmade ontfanghen heeft alse van der rentemeist[er]scip van Kenemaerland en[de] van Vriesland zeder die tijt dat Florens sine leste rekeninghe sloet dat was des vridaghes voer sente Ceciliëndaghe in 't iaer L tote des donresdagh[es] na s[en]te Thomaesdaghe in 't iaer LI"
"It[em] bi henghel[icken] brieve van Heemskerke en[de] bider poerte van Haerlem He[re]n Dieric den pape ghegh[even] om die blide mede te rechte[n] voer Brederoede XXXVII oude scilde en[de] IIII vlaemske g[ro]te f[aci]t XXII lb VI s'"
"It[em] bi meest[er] Ysebrant van den evenhoge gader te lecghen en[de] van Breederoede tot H[er]lem te brenghen VI g[roe]te f[aci]t III s'" (30).
Het door Herman van den Bussche verdedigde kasteel wordt bij verdrag overgegeven; een afschrift van dit verdrag is als bijlage II achter dit hoofdstuk opgenomen. In het verdrag werd bepaald dat het "Huus" te Brederode ter beschikking kwam van de Graaf van Holland. De soldaten, die gevangen werden gehouden op Brederode, moesten worden vrijgelaten. De roerende (persoonlijke) bezittingen van Dirk, zijn kastelein en de soldaten mochten worden meegenomen. Dirk zou vergiffennis krijgen en niet gevangen worden gezet. Bovendien zou hij een jaargeld krijgen en deed de Graaf de toezegging dat hij alle schulden van Dirk zou overnemen. Ondanks dit fraaie verdrag werd Dirk, die in 1351 in Zeeland gevangen was geraakt, tot 1354 in hechtenis gehouden op kasteel Heemskerk (thans Marquette) (31).
Gezien het feit dat Dirk huursoldaten had aangetrokken, er krijgsgevangenen werden gemaakt en Gijsbrecht van Nijenrode een grootscheeps beleg met belegeringswerktuigen om Brederode sloeg, mag worden aangenomen dat de strijd hevig is geweest. De oorlogshandelingen zullen het kasteel bepaald niet ongeschonden hebben gelaten.
De Hoeksgezinde Dirk was een ongewenst persoon in het grotendeels Kabeljauws gezinde Kennemerland. Daarom mag het niet worden uitgesloten dat de overblijfselen van het kasteel gedurende de hechtenis van Dirk (de periode 1351 - 1354) door de Kennemers is geslecht. Deze aanname kan niet door archiefgegevens worden gestaafd. Door het ontbreken van opgaand muurwerk van vóór 1351 is van deze bouwfase ook niet te bepalen welk gedeelte van het kasteel tijdens het beleg in 1351 is verwoest en welk gedeelte later geslecht zou zijn.
De bovenstaande speculaties over oorlogsschade en het eventueel daaropvolgende slechten van het kasteel door de Kabeljauwsen, vloeit voort uit het feit dat uit het bouwhistorisch onderzoek is gebleken dat het kasteel omstreeks het midden van de 14de eeuw volledig is herbouwd op oudere funderingen:
1) de oostmuur van
de Donjon (bouwdeel 3) heeft 0,4 m onder het huidige kelderloopvlak een
snijlaag. Onder de snijlaag bestaat het metselwerk uit stenen van 30x?x8 cm.
Boven de snijlaag is het muurwerk in bastaard kruisverband gemetseld; de
toegepaste stenen hebben het formaat 27x13x6à6,5 cm;
2) de oostelijke
binnenplaatsmuur is op een oudere fundering geplaatst. Kennelijk vond men de
muurdikte van de fundering niet groot genoeg: middels uitkragingen werd de muur
tot maximaal 0,30 m breder uitgevoerd; zie afb. 6. De stenen van de jongere muur
hebben het formaat 27,5x12x6à7 cm; gemiddelde lagenmaat 7,2 cm;
3) het opgaande muurwerk van
de oostmuur van de Ridderzaal (bouwdeel 7) is aanmerkelijk smaller uitgevoerd
dan de onderliggende fundering. Aan de binnenplaatszijde bedraagt het verschil
in muurdikte 0,60 m;
4) ook het opgaande muurwerk
van de westmuur van de Kemenade (bouwdeel 8) is plaatselijk smaller uitgevoerd.
In de zuidwesthoek is de fundering 0,40 m breder dan het opgaande
muurwerk;
5)
het opgaande muurwerk van de zuidmuur van de Donjonkelder is vlak onder het
loopvlak, ter plaatse van de doorgang naar de Middentorenkelder, 0,10 m naar het
noorden verschoven, ten opzichte van de onderliggende fundering;
6) de oostmuur van de
Middentoren (bouwdeel 2) is op een vallende tand van de fundering van de
traptoren gezet. Het opgaande metselwerk van deze muur is 0,48 m smaller
uitgevoerd dan de tand van de fundering van de traptoren. Het fundament met tand
bevatte stenen van het formaat 27à27,5x13x6,5à7 cm; gemiddelde lagenmaat 8 cm.
Het metselwerk dat op deze tand was gezet bevatte stenen van een iets ander
formaat: 27x13x6à6,5 cm, gemiddelde lagenmaat 7,2 cm.
Deze bouwsporen wijzen op herbouw van het kasteel op een ouder fundament (32).
Het tijdens deze
herbouw opgetrokken muurwerk bevat kenmerken die duiden op een ontstaan in de
tweede helft van de 14de eeuw: de muren zijn opgetrokken in
een bastaard kruisverband. In de dikte van de muren van de Donjon, de
Middentoren, de oostelijke binnenplaatsmuur en de Kapeltoren zijn, per laag
wisselend, stenen aangetroffen, die onder een hoek van 40 à 50 graden ten
opzichte van de lengterichting van de muur zijn gelegd. Hier zal voor dit
verschijnsel het begrip "zwaailaag" worden gehanteerd. Deze metselmethode werd
vanaf het midden van de 14de eeuw toegepast, bijvoorbeeld bij het kasteel te
Merwede bij een uitbreiding na 1378 en bij het kasteel Heemstede (33). Naast het toegepaste steenformaat (27x
13à12x7à6 cm, gem. lagenmaat 7,2 cm) en de late detaillering van de schietgaten
wijzen vooral deze zwaailagen op bouwactiviteiten in of na het midden van de
14de eeuw.
De bovenstaande bouwhistorische bevindingen sluiten goed aan bij de
rehabilitatie van de Brederode's in het Kennemerland. In december 1354 kreeg
Dirk III al zijn bezittingen terug.
Hieruit mag voorzichtig
worden afgeleid dat Dirk na zijn vrijlating in 1354 en het weer in de gunst van
de graaf komen in 1355, het kasteel geheel op oude fundamenten heeft herbouwd
(afb. 5, fase 2). Dat zijn zoon Reinout in 1358 baljuw van het Kennemerland werd
zal een krachtige stimulans (mogelijk zelfs de reden) voor de herbouw zijn
geweest.
Zoals hierboven vastgesteld, heeft men bij de herbouw gebruik gemaakt van
bestaande funderingen c.q. bestaand muurwerk.
Op de plaats van de huidige
Binnenpoort wordt dit oudere muurwerk aangetroffen: de noordmuur van de
poorttoren, het fundament van de traptoren en enkele strekkende meters
metselwerk van de oostmuur van de kelder en begane grond van de Middentoren
(afb. 5, fase 2). De oostmuur vertoont op het kelderniveau een vallende tand.
Het opgaande metselwerk van de Middentoren is hier opgezet. Op de begane grond
vormt het oudere muurwerk de zuidelijke dagkant van een venster. De noordelijke
dagkant wordt gevormd door jonger muurwerk van de Middentoren. Op het voormalige
eerste verdiepingsniveau is het metselwerk van fase 2 van de Middentoren
gedeeltelijk òp het oudere muurwerk gelegd.
Blijkens de bouwsporen
bevatten de in deze fase opgetrokken Donjon en Middentoren oorspronkelijk (boven
de kelder) twee verdiepingen. Over de mogelijke aanwezigheid van een zolder
onder de weergang kunnen alleen maar vermoedens worden uitgesproken. Want
afgezien van het grote aantal privaatkokers (4) voor de twee woonlagen hoge
Donjon, zijn er geen bouwsporen (meer) die op een zolder wijzen.
Tegelijkertijd met het
optrekken van de Donjon werd de rest van het kasteel op oudere fundamenten
opgemetseld. Toen men met het metselen een hoogte van 5,7 m boven het
perronniveau had bereikt werden eerst de Donjon en wellicht ook de Middentoren
en de poorttoren voltooid. Dit blijkt uit de staande tand waarmee de Donjon
aansloot op de Keukenvleugel, zie afb. 7.
Het is niet onmogelijk dat
ook de voorburcht tijdens het beleg in 1351 zwaar te lijden heeft gehad. Het
muurwerk van de voorburcht zou daarom ook van na 1354 kunnen zijn. Aanwijzingen
daarvoor zijn echter niet gevonden. Daarom is hier aangenomen, dat de voorburcht
voor het grootste deel intact is gebleven. Toekomstige archeologische
waarnemingen kunnen wellicht betrouwbaar uitsluitsel geven.
Bouwfase 3: ca. 1360 - 1426.
Enige tijd nadat de
Donjon en de Middentoren waren voltooid verdween een groot gedeelte van de oude
poort. Er werd een nieuwe poorttoren opgetrokken en van de oostgevel van de
Middentoren werd het zuidelijke gedeelte, vanaf ongeveer 4 m boven het begane
grondniveau, vernieuwd. Dit laatste blijkt uit een verticaal bouwspoor tussen de
poorttoren en de vensters van de Middentoren: de lagen die bij het muurwerk van
de poorttoren horen sluiten met een lichte knik, niet geheel waterpas, aan op
het metselwerk van fase 2 van de Middentoren (afb. 8). Beide muurvlakken zijn in
staand verband uitgevoerd. Echter precies op de knik gaan koppenlagen van het
ene vak over in strekkenlagen van het andere vak.
Ook het bovenste gedeelte
van de traptoren van de poorttoren zal in deze tijd zijn vernieuwd. Hetzelfde
geldt voor de noordmuur van de poorttoren en de westmuur van de Middentoren. Dit
verklaart de koude naad tussen de laatste muur en de noordmuur van de
Middentoren. De laatste muur is immers de zuidmuur van de iets vroeger gebouwde
Donjon (afb. 5, fase 3).
De poorttoren zelf werd
voorzien van een brugkelder en een doorgang met spitsboog. Boven de poort
bevonden zich twee verdiepingen, die middels een traptoren ontsloten werden.
Daar de spiltrap ook de ruimten in de Middentoren ontsloot bevinden de
vertrekken van de Binnenpoort zich op andere niveaus de vertrekken van de
Middentoren.
Bouwfase 4: ca. 1360 - 1464.
Bouw van de Keuken- en Ridderzaalvleugel en op hoogte brengen van drie torens.
Het in fase 3
ontstane metselwerk van de zuidmuur van de Middentoren had vanaf 5,7 m hoogte
een staande tand, 1,45 m westelijk van de poorttoren. Aan de noordzijde van de
Keukenvleugel treft men een vrijwel identieke situatie aan: een staande tand
behorende bij metselwerk van de Donjon van bouwfase 2. Beneden deze hoogte waren
de noord- en zuidmuur van bouwdeel 4 kennelijk tegelijkertijd opgetrokken met de
ten oosten daarvan gelegen muren van bouwfase 2. Blijkens de tanden was bouwdeel
4 bijna even hoog gepland als de Donjon. Deze hoogte heeft het echter niet
bereikt: het bovenste deel van de staande tanden zijn niet gebruikt. Het
zadeldak dat toen op de Keukenvleugel is geplaatst heeft vooral aan de westzijde
een duidelijke dakmoet (sporen van de aansluiting van het dak op het muurwerk)
achtergelaten (afb. 7). Bouwdeel 4 heeft oorspronkelijk slechts één (hoge)
ruimte boven de kelder gehad. In de kelder bevond zich de keuken van het kasteel
en op de begane grond (mogelijk) de kapel.
Haaks op de Keukenvleugel
stond de grote zaal (bouwdelen 5 en 7). De zaal was onderkelderd en had een
formaat van 20,85x8,95xca.6 m (dit is uitgaande van de Rijnlandse voet 66,5x28,5
voet. De zaal kan, gezien het privaat in de hoek met bouwdeel 6, een eerste
verdieping hebben gehad. Deze eerste verdieping was toegankelijk via de
traptoren op het binnenplein.
De noord-westtoren (of
"Kapeltoren" bouwdeel 6) had een eerste verdieping die middels een muurtrap
toegankelijk was vanaf de begane grond van de Ridderzaal. Vermoedelijk had de
toren ook een tweede verdieping. Deze zal middels een trap vanaf de eerste
verdieping van de Ridderzaal zijn ontsloten; zie het betoog over de
privaatkokers in hoofdstuk 3 (34).
De ten zuiden van de grote
zaal gelegen Kemenade (bouwdeel 8) is niet tegelijkertijd opgetrokken met deze
zaal (afb. 5, bouwfasen 4 en 5). Dit blijkt uit de koude aansluiting van de
oostmuur van dit bouwdeel op de zuidelijke weermuur. Dat de zuidoosthoek van de
grote zaal als buitenhoek werd gebouwd, kan worden afgeleid uit de schuine
oriëntatie van de kortelingengaten in de oostmuur (afb. 9, kortelinggaten 1 t/m
5). (Kortelingen zijn horizontaal in de muur geplaatste balken, die deel
uitmaken van een tijdelijke steiger; zie hoofdstuk 3). Door de schuine stand ten
opzichte van het muurwerk kon om de hoek gesteigerd worden.
Op de zuid-westhoek van het
complex werd, vermoedelijk in één fase met de westelijke weermuur en bouwdeel 6,
de Tedburghatoren (bouwdeel 9) op hoogte gebracht. Van deze toren resteerd
vrijwel geen origineel metselwerk. Gezien het aantal (in de 19de eeuw
gereconstrueerde) privaatkokers zou de toren tenminste drie verdiepingen boven
de kelder hebben bevat. De verdiepingen werden ontsloten door een spiltrap in de
aansluiting met de zuidelijke binnenplaatsmuur.
De binnenplaats had ook in
deze bouwfase hetzelfde niveau als het huidige perron. Het oorspronkelijke
muurwerk van deze fase bevindt zich vlak onder het huidige loopvlak. In de
vorige eeuw is de 2,5 m hoge walmuur in fasen op deze restanten gezet (afb. 10).
De in deze walmuur aangebrachte schietgaten bevinden zich onder het middeleeuwse
loopvlak. Het binnenplein is echter, op een enkele uitzondering na, nooit
onderkelderd geweest (35). De schietgaten zijn,
net als de schietgaten van de Kemenade en de Tedburghatoren producten van de
19de eeuwse ridderromantiek.
Blijkens de poeren waren de
walmuren voorzien van een weergang op spaarbogen. Op de zuidoosthoek van het
plein stond een ronde toren. De kelder van deze toren was, blijkens de
gereconstrueerde muurtrap, toegankelijk vanaf het binnenplein. Gezien het
aantal, eveneens in de vorige eeuw gereconstrueerde, privaatkokers kan de toren
drie verdiepingen boven de kelder hebben gehad.
Bouwfase 5: ca. 1360-1426.
Na de voltooiing
van de Ridderzaal werd de zogenaamde "Kemenade" (bouwdeel 8) aan het bouwvolume
toegevoegd. Onbekend is hoeveel tijd er verstreken is tussen bouwfase 4 en het
opmetselen van de Kemenade.
In latere tijd werd op het
perron een aanbouw opgetrokken: het "huis op het perron" (afb. 5, fase 5). Dit
gebouw bevatte een lessenaarsdak, dat op de zuidmuur van de Keukenvleugel
rustte. Het "huis op het perron" bevatte een haard. In het schoorsteenkanaal
werden, thans nog waarneembaar, gaten voor klossen uitgespaard om een goot
(tussen de schoorsteen en het zadeldak van de Keukenvleugel) op te leggen.
Hieruit mag worden geconcludeerd dat het "huis op het perron" niet, zoals
anderen menen, als noodbehuizing in de 16de eeuw is opgetrokken, maar als
"vestibule" van een 14de-15de eeuws kasteel (36).
Met de bouw van dit "huis op
het perron" als voorruimte heeft het kasteel bijna zijn grootste vorm bereikt.
Naast de Binnenpoort is, blijkens de hier aanwezige originele schietgaten, een
onderkelderd gebouwtje opgetrokken (afb. 5, fase 5). Wellicht mag men hierin een
poortwachtersvertrek zien. De schietgaten in de kelder en de begane grond van
dit gebouwtje zijn de enige authentieke middeleeuwse schietgaten van de huidige
ruïne.
Van
deze bouwvolumes zijn, zonder intensieve archeologische waarnemingen,
bezwaarlijk chronologische faseringen aan te geven.
Bouwfase 6: 1464-1491.
In 1426 werd het
kasteel belegerd door de stad Haarlem. Daarbij werd het zuidelijke gedeelte van
het kasteel vrijwel geheel verwoest.
Dit zal mede de oorzaak zijn
van het verplaatsen van de residentie van de Brederodes naar het slot Batestein
te Vianen. De Brederodes waren in 1418 in het bezit gekomen van dit kasteel. Ook
het sneuvelen van Walraven in 1417 en het minderjarig zijn van zijn zoon Reinout
II zal er de oorzaak van zijn, dat niet meteen na de belegering de schade werd
hersteld (37).
Pas ná 1464 werd het restant
van het kasteel, het noordelijk gedeelte, hersteld. "Zulks blijkt uit een
beschikking van Filips van Bourgondië uit het jaar 1464 op een verzoekschrift
van Reinout II, om zijn "kwade" lenen in "goede" te veranderen, zoodat zij bij
ontstentenis van mannelijke wettige nakomelingen ook in vrouwelijke lijn zouden
kunnen vererven. Hopende onder meer, dat Reinout daardoor zou besluiten "weder
te doen maken ende yn te richten in goeden state 't voirsz. huys van Brederode,
ende dat selve huijs mitsgaders al 't voirsz. land ende heerlickheyt te
ontlasten ende te quijten van den lasten, dairmede sij belast ende beswairt is",
stond de hertog het verzoek in zoverre toe, dat bij zijn sterven voor één keer
erfopvolging in vrouwelijke lijn mocht plaats vinden. Hieruit komt tevens naar
voren, dat Reinout al evenzeer als wijlen zijn oom Jan met financiële
moeilijkheden had te kampen. Reinout ging dan ook niet verder dan een
gedeeltelijke herstelling, immers "datselve luttel dat daer nu is, dat heeft hij
in sijnen tijden wederom doen maken", meld bovengenoemde kroniekschrijver Jan
Gerbrandsz. tusschen 1482 en 1484" (38).
"Al was Brederode dan maar
voor een klein gedeelte herbouwd, toch kon het desnoods nog als tijdelijke
residentie worden gebruikt. Toen Jolande de Lalaing, weduwe van den in 1473
gestorven Reinout II, het te kwaad kreeg met haar mans familie inzake de voogdij
over haar minderjarige kinderen, en haar neef Reinier van Broekhuizen in haar
afwezigheid Vianen en Batestein innam en bezette, vestigde zij zich in 1478 weer
op Brederode. Zij bleef hier eenige jaren, want toen in 1482 een bende
plunderende Hoeksche ballingen, die Hoorn al had gebrandschat, ook Haarlem
bedreigde, zonden de overheden van die stad een bode naar den stadhouder Joost
de Lalaing, "die op dese tijt sat ende at opt huys Brederode bij sijnre nichten
vrouwe Yolendt des Jonckheren van Brederode Moeder."" (39).
De hierboven
bedoelde herstelling betreft het noordelijk gedeelte van de hoofdburcht en
(vermoedelijk) eveneens het noordelijke gedeelte van de
voorburcht.
Er was veel bouwvolume verloren gegaan:
- de bouwdelen 7, 8, 9 en 10
(grootste gedeelte van de Ridderzaal, de Kemenade, de Tedburghatoren en de
Sivaardtoren);
- de bovenste (derde) verdieping van bouwdeel 6 (de
Kapeltoren).
Het resterende
gedeelte van het kasteel werd rationeler ingedeeld; de zeer grote
verdiepingshoogten van de Donjon en de Middentoren werden gereduceerd; hierdoor
ontstond ruimte voor een extra, tweede verdieping.
Ook bouwdeel 4 (de
Keukenvleugel) kreeg een extra verdieping. De oorspronkelijke Kapelzaal had een
kapconstructie op muurstijlen. Bij de herstelling van 1464 werden de kraagstenen
van de muurstijlen vervangen door balken. Zo ontstonden twee, relatief lage
zalen waarvan in de onderste de hoge raad zitting hield (afb. 3). De zaal op de
eerste verdieping werd ontsloten door een doorgebroken toegang naar de traptoren
op het binnenplein.
In 1426 werd het zuidelijke deel van de Ridderzaal verwoest. In 1464 werd
alleen het noordelijk deel (bouwdeel 5) hersteld. Aan de zuidzijde werd dit
gedeelte afgesloten door een nieuwe muur.
Mogelijk heeft men in 1464
de verdiepingshoogte van bouwdeel 5 aangepast aan de nieuwe niveaus van bouwdeel
4; er resteren echter geen bouwsporen die daar op duiden.
Tijdens deze reparaties zal
de bovenste verdieping van bouwdeel 6 (de Kapeltoren) zijn gesloopt. De
noordelijke privaatkoker van deze toren, die ooit via deze bovenste verdieping
werd benut, heeft men toegankelijk gemaakt vanaf de begane grond. Op de eerste
verdieping werd het oostelijke venster dichtgezet, hierin werd een schouw
gemetseld (zie hoodstuk 3).
De verwoeste
bouwdelen zullen voor veel puin hebben gezorgd. De in de gracht gevallen
westmuur van de Ridderzaal werd door een cirkelvormige grondkeringsmuur omgeven.
Het is deze cirkelvormige muur die sommige onderzoekers heeft verleid tot de
veronderstelling dat de oudste, vroeg 13de eeuwse burcht een ronde vorm had (40). De afdeling Velsen van de Archeologische
Werkgemeenschap Nederland heeft echter tijdens een onderzoek in 1969-1970
aangetoond dat de cirkelvormige muur op de snijlagen van bouwdeel 6 (de
Kapeltoren) stond en dat de muur niet gefundeerd was: zij stond op de vulling
(veen) van de gracht. Bovendien hadden de bakstenen in de muur een te klein
formaat om uit de 13de eeuw te kunnen dateren. Ook uit de dikte van de muur
(steens) mag worden opgemaakt dat het hier geen vroeg middeleeuws muurwerk
betreft.
Willems laat in een tekening zien hoe hij zich de situatie met betrekking
tot de cirkelvormige grondkeringsmuur na 1464 voorstelt (afb.
11).
"Toen in 1464 het gebouw weer voor bewoning geschikt werd gemaakt zag men zich geplaatst voor een enorme berg puin van de verwoeste bouwdelen. Enig rekenwerk met als hulpmiddel de maquette had tot resultaat dat dit puin een omvang gehad moet hebben van ca 3500 m3. Het grootste deel van het puin zal in de gracht van de Ridderzaal hebben gelegen. Bruikbaar was dit materiaal haast niet meer na ca 40 jaar weersinvloeden. De luxe waarmee de herbouw werd voorzien, o.a. houten lambriseringen, doet vermoeden dat men die afzichtelijke berg puin niet onaangeroerd heeft laten liggen. De eenvoudigste oplossing: bouw een lage muur rondom de puinberg en vlak die berg vervolgens af tot de hoogte van die muur. Dit ontstane plateau kreeg dan de omvang zoals weergegeven in de schets. De bergruimte tussen de muur en de binnenplaatsmuur van de Ridderzaal met inbegrip van toren 3 (bouwdeel 9, aut.) bedraagt 3197 m3. Ruimte genoeg dus om een en ander weg te stoppen, ook in de binnenplaats en in de ronde toren was nog plaats." (41).
Op enkele details
na geeft bovenstaande de juiste gang van zaken weer:
- het binnenpleinniveau
heeft in 1464 niet de huidige hoogte gehad, maar correspondeerde met het
loopvlak van het perron;
- Willems neemt aan dat
alleen ten westen van het kasteel een grondkeringsmuur de puinmassa heeft
afgesloten. Vermoedelijk werd deze muur echter vanaf de Tedburghatoren (bouwdeel
9) bijna evenwijdig aan de zuidelijke binnenplaatsmuur naar bouwdeel 10 gevoerd
(de ronde toren); vergelijk afb. 11 met de plattegrond op afb. 5, fase
6).
Middels een trap in
een U-vormige uitbouw ten westen van de Kapeltoren werden de kelders met het
"plein" verbonden.
De reparatie van 1464 houdt in wezen de ontmanteling van de burcht in:
aan de zuidzijde is het kasteel niet meer te verdedigen. Het complex is
getransformeerd van weerbare burcht tot edelsmanwoning.
Bouwfase 7: 1491-1862.
In 1491 werd het kasteel tijdens de opstand van het Kaas- en Broodvolk geplunderd door Duitse soldaten (42). Daarna vervalt het kasteel steeds verder.
In 1499 trachtte
Jolande de Lalaing te bewijzen dat de Brederodes rechtstreeks afstamden van de
Graven van Holland. Jan van Leyden had voor dit doel een indrukwekkende
genealogie verzonnen. Om de genealogie geloofwaardig over te doen komen werd een
plattegrond van het oude stamhuis getekend; (afb. 3). Deze moeilijk te lezen
plattegrond geeft gedetailleerd het in 1464 gereconstrueerde bouwvolume weer.
Het zuidelijke deel van de burcht is echter schetsmatig aangegeven. Kennelijk
stond er van de Sivaardtoren nog muurwerk boven het maaiveld; want deze toren is
correct in de plattegrond opgenomen. De Tedburghatoren moet in 1499 al zo lang
onder het puin verborgen hebben gelegen, dat niet alleen de restanten geen
uitsluitsel over de vorm gaven, maar ook de overlevering tekort
schoot.
Ondanks de status van "stamhuis" van de graven van Brederode werd het
kasteel aan het verval prijsgegeven.
"Hadrianus Junius toch, die
in 1511 geboren is en als jongmensch in Haarlem heeft gewoond, zegt in zijn
"Batavia" over Brederode, dat het er treurig uitziet en zoo goed als een ruïne
is, waarvan hij geen andere oorzaak kan opgeven, dan dat men alle onderhoud
heeft nagelaten." (43).
Omstreeks 1573 zou
Brederode opnieuw zijn geplunderd en in brand gestoken, ditmaal door Spaanse
troepen.
"Spaanse troepen waren tijdens het beleg van Haarlem tot ver in de omtrek
gelegerd. Ook op Brederode. De Spanjaarden leden tijdens dit beleg zeer zware
verliezen. Niettemin slaagden zij er in de stad door uithongering te nemen. De
daarna ondernomen poging om ook Alkmaar te nemen mislukte evenwel, waarna de
Spaanse troepen gedemoraliseerd door de verliezen, maar vooral door wanbetaling,
muitend, rovend en brandschattend Holland verlieten. Brederode verlieten ze niet
dan nadat zij het kasteel of wat er nog van restte, in brand hadden gestoken.
Daarbij zou de kruitvoorraad zijn ontploft waardoor de gehele noordmuur van de
noordvleugel (K/L) (bouwdeel 4, aut.) in de gracht is gevallen" (44).
Ter Kuile geeft een
andere, eveneens niet onwaarschijnlijke lezing over het in de gracht vallen van
de noordmuur:
"Van het achterliggend deel van den rechtervleugel is de muur langs de
binnenplaats overeind gebleven, maar de buitengevel is in de gracht gestort,
vermoedelijk doordat de fundering door het grachtwater te diep was ingevreten."
(45).
De in de gracht gevallen
muur is thans nog in de vorm van een eilandje waarneembaar (afb 1:
E).
Het "huis op het perron" zou deze verwaarlozingen overleefd hebben en tot ongeveer 1600 als zelfstandig gebouw hebben gefunctioneerd. Op een afbeelding uit die tijd, de oudst bekende afbeelding van de ruïne, komt het "huis op het perron" al niet meer voor (afb. 12). Wel zijn op oude prenten de balkgaten en andere bouwsporen van het huis op het perron waar te nemen (afb. 13).
De onbruikbaar
geworden ruïne vervalt na 1600 steeds meer; de grachten en de kelders stuiven
vol met duinzand (afb. 5, fase 7).
In 1679 vervalt met de dood
van Wolfert van Brederode het kasteel aan de grafelijkheid van Holland. Na het
opheffen van de feodale rechten werd de Staat der Nederlanden eigenaresse van de
ruïne.
Bouwfase 8: 1862 - 1903.
Restauratie en reconstructie van de ruïne in de 19de eeuw.
In de 19de eeuw werd het opgaande muurwerk gerestaureerd. De verloren gegane muren aan de zuidzijde van de burcht werden tot ca 2,5 m boven het loopvlak gereconstrueerd. Niet alle muren werden echter tot deze hoogte opgemetseld. De muren tussen de bouwdelen 4 & 5, 5 & 7 en 7 & 8 zijn niet hoger opgemetseld dan ca. 90 cm. De noordmuur van de Keukenvleugel (Bouwdeel 4) en van de Ridderzaal (Bouwdeel 5) bereikt zelfs nergens een grotere hoogte dan 0,5 m (afb. 2). Het is onduidelijk waarom men deze muren niet dezelfde hoogte heeft gegeven als de overige walmuren. Voor de juiste ruimtelijke beleving van de Keukenvleugel zou het zelfs zeer wenselijk zijn, dat men ook de noordmuur van deze vleugel op hoogte had gebracht.
Omstreeks 1900 stort de - omstreeks 1870 gereconstrueerde - westmuur van de Ridderzaal en de Kemenade in. Deze muur moest daarom voor de tweede keer gereconstrueerd worden (afb.2). Ook werd in de 20ste eeuw de westelijke poortdoorgang van de Binnenpoort gereconstrueerd (afb. 2).
In hoofdstuk 2 wordt deze "bouwfase" nader toegelicht.
BIJLAGE I: Hypothese van een 13de eeuws, torenvormig gebouw op het huidige binnenplein.
De aanleiding voor de hypothese is het opvallende verschil in plattegrond van het kasteel en de voorburcht. Het hoofdgebouw bestaat uit een regelmatige rechthoek. De voorburcht echter lijkt een segment te zijn van twee concentrische veelhoeken. De segmentvormige plattegrond kan veroorzaakt zijn door een aanpassing aan een bestaand gebouw. Dit gebouw zou op het snijpunt van de middelloodlijnen van de walmuren van de voorburcht gezocht kunnen worden. Dit middelpunt bevindt zich op het binnenplein, precies in het midden van het kasteelcomplex (afb. 5, hypothetische toren). Het kelderniveau (middeleeuws maaiveld) van dit bouwvolume zou op het niveau van het huidige plein gezocht moeten worden.
Bijkomende
argumenten voor het bestaan van deze bouwfase:
- zoals hiervoor betoogd zou
het eerste kasteel van Brederode na 1282 ontstaan kunnen zijn. Het opgaande
muurwerk van de huidige ruïne is echter niet ouder dan het midden van de 14de
eeuw. Het toen, in fase 2, gebouwde kasteel zou de hypothetische toren hebben
kunnen vervangen.
- de voorburcht, die gedeeltelijk rondom de hypothetische toren ligt,
bevat metselwerk met een groter steenformaat dan in het opgaande muurwerk van de
hoofdburcht is verwerkt: 30x13x9 cm; gemiddelde lagenmaat 8,6 cm. Dit zou erop
kunnen duiden dat de voorburcht ouder is dan de hoofdburcht.
De hypothese krijgt zijn bestaansrecht door met de wichelroede uitgevoerd onderzoek (46). Dit onderzoek wees op het bestaan van muren, zoals op afb. 5 is weergegeven. Het zou kunnen handelen om een rechthoekige toren met een afmeting van 7,7x8,8 m en een muurdikte van ca 0.9 m.
Het eventueel
aanwezige muurwerk bevindt zich echter tenminste 1 m onder het loopvlak van het
binnenplein. Slechts een archeologisch onderzoek zou definitief uitsluitsel
kunnen geven.
BIJLAGE II: Tekst van het op 23 oktober 1351 opgemaakte verdrag betreffende de overgave van het kasteel Brederode:
"Willem, Hertoge enz., maken cond enz.: dat wij verdraghen sijn mitten Here van Brederoede, mit Harman van den Busche, Casteleyn van den Huse te Brederode, ende anders metten Ghesellen (krijgsknechten) ghemeenliken, die, nv ter tyt, op den Huse te Brederoede mede legghen, jn manieren als hier na gheschreuen staet. In den eersten soe sullen wj den Here van Brederoede voorschreuen nemen jn onser ghenaden, behouden syns lijfs ende sijnre ghesonde (gezondheid, welvaart), ende ongeheft (ongebonden) buten vanghenissen te varen ende te keren jn onsen Lande. Ende wj sellen hem guen, wj sinen goede, IIIc ende L. (350) pond Holl. tsjaers, daer hi seker an is, in al sulcken paymente (betalingen) als wi van onsen renten sullen nemen. Ende wj sullen hem enen Rentemeester setten, die sijn oirbaer (bloedverwant) is, ende jaerlix rekeninghe doen sal voir ons, voir den Here van Brederoede ende voir sine vrienden. Voirt alsulke tilhaue (draagbaar goed) als die Here van Brederoede op den Huse heeft, ende tot sijnre Camere (persoonlijke inboedel) behoirt, of dat anders sijn is, dat sal hem veyligh volghen. Voirt dat Huus te Brederoede ende anders sijn goet sal wesen tot onsen wille ende Raets, ende daer of sal wj betalen, alle kenlike scout (schulden), die die Heer van Brederoede sculdich is.
Voirt Harman van den Busche ende die ghemene ghesellen, die bi hem op den Huse sijn, sullen wj doen veylich gheleyden buten onsen palen (grenzen) van Hollant, behouden hoirs lijf ende horen ghesonde. Ende hem (hen) sal volgen half hoir goet, mit horen wiuen ende mit horen Kinderen, ende onuercoft te bliuen. Ende dat sal moghen gebruken hoir Wyf ende hore Kinderen of die ghene, die sijs betrouwen, vytgheset (uitgezonderd) Kinder, die alsoe groet sijn, dat si opo den Huse gheweest Hebben ende gheweapent geweest hebben jeghens ons ende onse hulpers. Ende hier af sullen si betalen half hoir scoude, ende wi die ander helfte. Voirt alsulke Tilhaue als die Ghesellen bi hem op den Huse hebben, die hair was, doe dit oirloghe anestac (begon), die sel hem volgen, jn manieren dat elc houden sel met sinen ede wat doe sine was. Voirt alle die Gevanghen, die op Brederoede legghen, die sullen quite wesen vri sonder cost. Voirt alsulc goet, als die Ghesellen after hem laten, die op Brederoede legghen ende oueruede (of Oorvede, eed om alla haat af te leggen en zich over het gevangen nemen niet te wreken) doen, dair enich recht op gevordert is, dat sel staen an die Scepene jn elke Stede, daert recht geuordert is. Voirt sullen die Ghesellen die op Brederode legghen oueruede doen na oirloghesrecht. Ende wair dat sake, dat yemand dair ouer dede, dat wair op sijn lijf ende op sijn goet, dat hi after hem laet. Ende alle dese voirscreuen voirwarden ende ponten (punten) ghelouen (beloven) wj te houden ende te doen houden, sonder al argelist. In oircond desen brieve beseghelt met onzen seghele. Ende om die meere zekerhede hebben wj ghebeden onsen lieven ende ghetrouwen Heren Ghisebrecht van Nuwenroede, onse Marscalc van voir den Huse voirsreuen, ende onsen Steden als Hairlem, Aemsterdam ende Medenblyc, dat si desen brief met ons beseghelen willen met haren seghelen. Ende wi ghisebrecht voorscreuen, Ridder, die Steden van Hairlem, Aemsterdam ende Medenblic voirsc. hebben, om bede ons liefs Heren, des Hertoghen Willems van Beyeren, Grave van Hollant vorsz. dezen Brief bezeghelt met onsen zeghelen. Ghegheuen jnt jair ons Heren M.CCC.LJ., des Sonnendaghes na der elfdusend magheden dach (23 october 1351)." (47).
HOOFDSTUK 2: DE RESTAURATIE.
In de 17de, 18de en 19de eeuw stoof de ruïne steeds verder onder het duinzand (afb. 13). Pas in 1862 ging de staat gelden beschikbaar stellen om de ruïne als bouwkundig monument voor het nageslacht te behouden. Tijdens de consolidatiewerkzaamheden werd, geheel in de geest van de tijd, door middel van reconstructies van ondermeer schietgaten, een weerbare middeleeuwse sfeer opgeroepen. Door dit restaureren naar het toenmalige ideaalbeeld van een middeleeuwse kasteel, waren veel van deze reconstructies niet in overeenstemming met de nog bestaande authentieke bouwsporen. Zo bezit Brederode thans, door onjuiste interpretaties van bouwperioden, als enig waterkasteel een binnenplein met twee niveaus. Voorts zijn van de 23 resterende schietgaten slechts twee aan te wijzen met een redelijk betrouwbare middeleeuwse detaillering. Desondanks hebben de bouwactiviteiten in de vorige eeuw bijgedragen tot het behoud en de bekendheid van de ruïne.
Brederode was in de 19de eeuw de eerste ruïne in rijksbezit die gerestaureerd werd. Het herstel werd onder leiding van de Haarlemse archivaris Mr. A.J. Enschedé uitgevoerd. Uit de briefwisselingen tussen Enschedé en de betrokken ministers blijkt dat er diverse problemen en verschillen van inzicht waren. Door het verrichte bouwhistorisch onderzoek is ondermeer vast komen te staan dat de walmuren van de ruïne vrijwel geen middeleeuws muurwerk bevatten maar 19de eeuwse reconstructies zijn: ruim 60% van de plattegrond van de ruïne bestaat uit gereconstrueerd muurwerk! Gewapend met deze kennis werd het mogelijk de briefwisseling te interpreteren en zodoende kennis te nemen van de afwegingen, de voortgang en de tegenslagen tijdens deze 19de eeuwse restauratie.
"Gedurende twee en een halve eeuw werd er niets gedaan tot instandhouding van hetgeen het oorlogsgeweld en de vlammen gespaard hadden. Alleen de landschapschilders der XVIIe eeuw, die, van Haarlem uit, de glorie van den Nederlandschen naam over geheel de wereld verspreidden, waren gevoelig voor het schilderachtig aanzien, hetwelk de steeds meer en meer onder het duinzand bedolven en met struikgewas begroeide bouwvallen aanboden, en talrijk zijn de afbeeldingen, die zij van den grijzen Brederode penseelden of etsten.
Hoe zwaar en hecht het XIIIe eeuwsche bouwwerk ook was, de tand des tijds zette zijn onverbiddelijk vernietigingswerk voort en het Domeinbestuur, hetwelk tenslotte het bezit van het Kasteel had, dacht er niet aan, iets hoegenaamd te doen om de langzame verwoesting tegen te gaan. Integendeel, men was voor het behoud van den burcht zoo onverschillig, dat men dien gaarne te gelde zou gemaakt hebben, indien de grond eenige verkoopswaarde had gehad. Toen men in 1805 bevond, dat een hoek van het terrein betrekkelijk vrij van puin was, haastte men zich dit stukje lands te verschacheren.
Aan Mr. A.J. Enschedé, archivaris van Haarlem, een man aan wien de Haarlemsche historische en kunstmonumenten oneindig veel verplichting hebben, heeft men het te danken, dat het behoud van het Kasteel Brederode thans verzekerd is. Hij wist in 1862 te verkrijgen, dat de Regering een geringe som (ƒ 500,-) ter zijner beschikking stelde om de ruïne te verzorgen. Op dat oogenblik was werkelijk alles te doen. Een gedeelte van het terrein was in partikuliere handen. Tusschen de bouwvallen was een boeren-hofstede getimmerd; het duinzand had de grachten gedempt en een groot gedeelte van den omtrek der gebouwen onzichtbaar gemaakt; het overige muurwerk, de gewelven verkeerden in zeer zorgwekkende staat." (48).
In een brief van
1862 aan de Minister van Binnenlandse Zaken stemde Enschedé erin toe zich te
belasten met het toezicht op de werkzaamheden aan de ruïne. Vanaf dat moment
wordt een aanvang gemaakt met de eerste opgravingen en restauraties. Op de bij
deze brief gevoegde begroting komen de volgende posten voor:
- herstel van de gemetselde
spiltrap bij de Binnenpoort. De trap was nog met 32 "ongangbare" treden
aanwezig.
-
herstel van de spiltrap in de "kijktoren". Deze naast de Donjon gelegen trap was
nog met 50 onbegaanbare treden aanwezig.
- herstel van de gewelven in
de traptoren en de Voorpoort (49).
Voorts schreef
Enschedé: "...het is in de eerste plaats noodzakelijk de bomen en gronden die zich
in de ruïne bevinden te verwijderen; dat verder twee gewelven die dreigden in te
storten noodzakelijk herstelling behoefden en dat alles moet worden nagezien."
(50).
Enschedé schreef op 24 juni
1862 dat met het werk aan de Buitenpoort werd begonnen. Om aan de benodigde
stenen te komen liet hij enkele puinhopen selectief opruimen. De gevonden stenen
bleken geschikt te zijn voor het opgaande werk, maar te zacht voor het gewelf.
Voor dit gewelf liet hij stenen kopen, die afkomstig waren van een "oud
kloostergebouw te Velsen" (51).
Kennelijk werd Enschedé al
tijdens de eerste reparaties geconfronteerd met zijn gemis aan bouwkundige
achtergrond: "Terwijl ik verneem, niet genoeg bouwkundig verstand te bezitten om te
beoordelen welk gedeelte van de ruïne in de gevaarlijkste toestand verkeert,
noch of de bazen het te kostbaar aanleggen, heb ik, om het verspillen van geld
te voorkomen, de provinciale opzigter van Meerenberg Van der Linden verzocht,
het toezigt over de werkzaamheden te houden." (52).
De Stuers geeft de te verrichten werkzaamheden als volgt weer: "Het allereerst moest de hand geslagen worden aan hetgeen dreigde in te vallen, en wel aan de Voorpoort, waarvan het tongewelf door inwatering en de werking van een daarop gegroeide eschboom zoodanig was verzwakt, dat het, toen men er een formeel onder bracht, naar beneden stortte; men moest het dus geheel op nieuw aanleggen; de boom werd weggenomen, het gewelf met koolteer besmeerd, en daar het niet in het plan lag het dak te herstellen, werden een paar openingen ter weêrszijden aangebracht om het regenwater te laten weglopen. Daarop volgde de herstelling van de steunberen van de Binnenpoort.
Het was nu zaak het gebouw te zuiveren van het puin en het zand, die tot zulk een hoogte opgestapeld lagen, dat men wel verre van grachten of muren te kunnen volgen slechts eenige met boomen en struiken begroeide heuvels zag, die bezwaarlijk het plan van het gebouw lieten herkennen.
Men ruimde het puin en de boomen vooreerst uit het hoofdgebouw weg en stortte die voorlopig voor de Binnenpoort, waardoor men een gemakkelijken oprid bekwam. Weldra vond men een vloer van groen verglaasde tegeltjes, en de zandsteenen kraagstukken van een schoorsteenmantel. In de kolk van dezen schoorsteen evenals van de andere bevond zich nog de asch van den haard. Het puin, waarin men veel leijen vond, bereikte in het eerste vertrek naast de Binnenpoort een hoogte van 0,87 tot 1,67 M. boven den vloer. In het daarop volgend portaal trof men een vloer aan van roode, geele en zwarte verglaasde tegeltjes. De vloer van het tweede vertrek (onder den Donjon) was grootendeels verdwenen. In dit portaal bereikte het puin een hoogte van 0,63 M.; in het tweede vertrek van 1,18 tot 1,49 M. Men herstelde den eersten vloer en vulde het ontbrekende met van elders verkregen oude tegeltjes aan; ook in het portaal werden de oude tegeltjes op nieuw gelegd, terwijl in den Donjon voorlopig gebruik moest gemaakt worden van koolteer om de open vakken te dekken.
Vervolgens werd de steenen trap, welke naast het eerste vertrek ligt en naar de boven-verdiepingen voert, hersteld; in het portaal vóór dien trap werden eveneens de losliggende oude vloertegeltjes herplaatst. Ook de groote trap naar den Zoogenaamden Kijktoren werd begaanbaar gemaakt." (53).
In september 1862 diende Enschedé zijn declaratie
in. Hieruit blijkt welke werkzaamheden zijn verricht:
- herstel van Voor- en Binnenpoort, de gewelven van
deze poorten en het gewelf van de Kapeltoren;
- herstel van de trappen;
- uitgraven van grond in de "voorste vertrekken";
- hardmaken van de grond met koolteer;
- repareren van de "beer" van de Binnenpoort (54).
De tijdens de graafwerkzaamheden aangetroffen bodemvondsten waren volgens de directeur van het Archeologisch Kabinet te Leiden van weinig waarde (55).
In de vorige eeuw was er al enige discussie over
hoe, met het beperkte budget, een ruïne geconsolideerd diende te worden:
Enschedé wilde bijvoorbeeld de kelders op het, ten westen van de voorburcht
gelegen, voorhof ontgraven, omdat deze "niet precies gevuld bleken te zijn".
Binnenlandse Zaken vond dit echter niet nodig. Doel van de werkzaamheden was
immers verder verval te voorkomen (56)!
Op de begroting van 1863 komen de volgende posten
voor:
-
herstellen van de trap van de hoektoren (vermoedelijk de noord-westtoren);
- bijmetselen van de fundering van de Donjon (het
muurwerk was op funderingsniveau tot ongeveer 1 m ingevreten);
- bijmetselen van de oven in de keuken (de
westelijke oven in bouwdeel 4);
-
bijmetselen van de stoep naar de "Groot Zaal" en van de trap naar de kelder
(vermoedelijk de stoep met portaal in de noordoosthoek van bouwdeel 4);
- het "voorzien van twee bogen der ramen";
- het bijmetselen van de toren (vermoedelijk de
Donjon) (57).
De Stuers geeft voor deze werkzaamheden de volgende beschrijving: "In het volgend jaar (1863) werd de ontgraving voortgezet en bereikte men den vierkanten hoektoren (de zuidwesttoren, bouwdeel 9, aut.), waar het puin 2.09 M. hoog lag; men vermocht aldaar het puin niet geheel weg te ruimen van wege twee eschboomen, die hun wortels zoo diep in het metselwerk geschoten hadden, dat het wegnemen daarvan schade zou aangebracht hebben. Die boomen maakten overigens een schiderachtig effect. De ontgraving van het puin werd voortgezet en ook de N.W. dikke vierkante toren (bouwdeel 6, aut.) werd gezuiverd. Alleen op dit punt werden platte dakpannen gevonden; overal elders trof men leijen aan. Nu was de beurt aan den puinhoop tusschen dezen toren en de bij de Binnenpoort gelegen gebouwen; men vond aldaar de keukens van het kasteel terug. In een der kelders waren de sporen van brand duidelijk zichtbaar. Overigens lag ook in de keuken en elders een gelijkmatige laag asch, waarvan de ligging de juiste hoogte van den beganen grond bepaalde. Het bleek ook uit een aantal stapeltjes afgebikte steenen, dat in vroeger tijd sloopers een gedeelte van de omgevallen muren hadden vernield.
Een onderzoek naar den bodem van het Binnenhof
leerde, dat daar geen kelders waren, doch dat men den hof bij het maken der
fundering met behulp van den opgegraven grond en ook van ongebruikte bakstenen
en keistenen had opgehoogd." (58).
Daar men de plattegrond van 1499 (afb. 3) kende was
men nogal verrast dat de Tedburghatoren een vierkante vorm had; volgens deze
plattegrond had men hier immers een ronde toren mogen verwachten. Men zal zich
ook verbaasd hebben over de zware funderingen die men aan de westzijde aantrof
(de Ridderzaal en Kemenade): hier had zich immers blijkens de plattegrond
slechts "die kooike" (hokje) moeten vinden.
Bevriezing veroorzaakte aanzienlijke schade aan de
ronde toren (59).
In
maart 1864 stortte het zuidelijke deel van het keldergewelf van de Donjon in (60). De herstelling werd niet geheel in het vlak
van de muur aangebracht en is daardoor nog steeds waarneembaar.
In 1865 gaf Enschedé in een brief aan de Minister
een uitgebreid verslag van de werkzaamheden. Hij berichtte dat de werken aan de
Voorpoort: "tengevolge van verval van ƒ 70,- tot ƒ 90,- zijn
geklommen, terwijl hier nog bij is moeten gevoegd worden ƒ 45,- voor
werkzaamheden aan de fundering, daar anders dit gebouw groot gevaar zoude
lopen..."
"...De
post ad ƒ70,- voor het bijmetselen van de trap en het weder in verband brengen
der omsluitingsmuren van het voorgebouw, heb ik wederom op deze begrooting
gebragt, doch hoe verkiesselijk het ook zij dat wederom werden overgenomen de
posten voor het ondermetselen der secreetkoker ad ƒ 20,-, het bevestigen van de
losse lagen ad ƒ 30, ƒ 90,-en ƒ 35,-, heb ik het dringend noodzakelijk
geoordeeld deze liever een jaar te laten rusten en deze posten te vervangen door
enen ad ƒ 30,-, tot het herstel ene schoorsteen op de vroegere derde verdieping,
welke dreigt in te storten, hetgeen welligt niet zonder ongelukken gepaard zoude
gaan en ene post ad ƒ 215,- voor herstellingen aan de walmuren, welke nooit zeer
deugdzaam geweest zijn, hebben in den afgelopen winter en bij gevolg weder dit
jaar door de vorst zodanig geleden, dat het niet raadzaam is de werken langer
uit te stellen, daar de kosten telke jaren grooter worden. De ciering op ƒ 215,-
is echter veel te laag, zelfs zoo de overige werkzaamheden niet mogten
tegenvallen, hetgeen bijna niet denkbaar is door de groote kosten die steeds
voor steigerwerk word gevorderd." (61).
Enschedé voegde een begroting aan deze brief toe:
ƒ 90,- om boven en onder voormalige vensters en
deuren van de voorpoort bogen, respectievelijk borstweringen te metselen;
ƒ 45,- voor "het optrekken van een hoek metselwerk
aan de walmuur bij genoemde poort", vermoedelijk een stuk muurwerk ten noorden
van deze poort;
ƒ 120,-
"voor het inmetselen van bogen en borstweringen tusschen de raamgaten in het
hoofdgebouw";
ƒ 30,-
"voor het inmetselen van de voormuren der schoorstenen in laatste genoemd
gebouw";
ƒ 70,-
"voor het hoger opmetselen van de trap en omsluitingsmuren in het voorlocaal van
het hoofdgebouw" (de Middentoren);
ƒ 215,-
"voor herstelling van de walmuren rondom het binnenhof";
ƒ 30,- "voor het houden van toezigt".
_________
ƒ 600,-
(62).
En inderdaad blijkt in september van dat jaar dat deze begroting veel te optimistisch was opgesteld: Enschedé declareerde ƒ 598,53 en vermelde dat voor dit bedrag de eerste vier werken van de bovenstaande begroting waren uitgevoerd en dat met het vijfde werk een aanvang was gemaakt (63).
De declaratie over dat jaar geeft een uitgebreider
overzicht:
- "het
inmetselen van een groot gedeelte zeer dik muurwerk, aan de linker
buiten-zijmuur van de voorpoort, rondom eene gewezen deuropening, op de 1e
verdieping (zuidmuur van Voorpoort, aut.);
- het
opmetselen van 24 nieuwe treden, bogen en insluitingsmuren der voortrap, aan de
ingang van het hoofdgebouw, welke oorspronkelijk, gelijk als nu, naar den omloop
mede toegang had (traptoren tussen Binnenpoort en Middentoren, aut.);
- het gedeeltelijk opmetselen der muren van den
omgang, vanaf laatstgenoemden trap, tot aan den in 1865 (de declaratie werd in
1866 geschreven, aut.) reeds opgewerkte omloop; zijnde voor al deze werken
aangekocht 5000 groote kerkmopsteenen;
-
aanbrengen van leuning aan binnenzijde omloop en 3 zware muurankers.
- het doen vervaardigen van 520 nieuwe mopstenen, op
gelijke afmeting als de grootste steenen die aan de ruïne gevonden worden.";
- aankoop van 10.000 oude "ordinaire mopsteenen" die
gebruikt worden voor de borstwering tegenover de leuning (64).
Op de begroting van 1865 was ook opgenomen het maken van een "omgang" met ijzeren leuning (65). Met het maken van die "ijzeren leuning" wilde het kennelijk niet zo vlotten, want op de begroting van 1876 moest de leuning wederom opgevoerd worden (66).
Ook de opgravingen gingen niet geheel naar wens. Het 19de eeuwse (=middeleeuwse) loopvlak van het binnenplein lag op het niveau van het huidige perron. Het loopvlak was opgehoogd met "...den opgegraven grond en ook van ongebruikte bakstenen en keistenen..." (67). Enschedé verkeerde in de veronderstelling dat deze "vulling" niet oorspronkelijk was en heeft veel moeite gedaan om deze te verwijderen: "In de veronderstelling, dat Uwe Excellentie wederom gelijk in het vorige jaar een som van ƒ 600,- beschikbaar zult stellen voor de werken aan de ruïne van Brederode, heb ik de eer, U voor te stellen deze som dit jaar te beschikken voor het opruimen der grond uit het zoogenaamde binnenhof..." (68).
Dit zou echter nog enige tijd een vrome wens blijven: "Van 1866 tot 1869 belette de verpachting van het gras het doen van verdere ontgravingen; men bepaalde zich derhalve tot het bevestigen van het muurwerk, waartoe jaarlijks ƒ 800,- besteed werden." (69).
Pas nadat de verpachting in 1871 was verlopen werd het binnenplein afgegraven. Daarbij heeft men niet bemerkt dat men al gravende het middeleeuwse loopvlak passeerde. Wellicht was dit loopvlak verdwenen; authentiek muurwerk van de walmuren vond men immers pas 2,25 m onder het perronniveau. Toen men dit muurwerk ontgraven had, vond men ook het "bijbehorende" loopvlak. Dit loopvlak is echter niet het binnenplaatsniveau maar het (vermoedelijke) "maaiveld" van de middeleeuwse bouwput. In de veronderstelling dat dit niveau het middeleeuwse binnenplaatsniveau was, zijn in de daaropvolgende jaren de walmuren op de gevonden funderingen opgemetseld. En in de walmuren werden, corresponderend met het nieuwe loopvlak, schietgaten aangebracht.
Om verdere opgravingen in de toekomst mogelijk te maken stelde
"...Mr. Enschedé aan de Regering voor, om het naburig weiland, waarop het gebleken was dat uitgestrekte grondslagen van het Buitenhof zich bevonden, en dat in 1805 door het Domeinbestuur was vervreemd, van den heer L. G. van Hoorn te Amsterdam, die destijds eigenaar er van was, terug te koopen." (70).
Om de importantie van de fundamenten van het voorhof te benadrukken werd een tekening gemaakt, waarop aangegeven werd welke "muren boven de grond" waren aangetroffen en welke "muren geheel of gedeeltelijk bedekt" waren (afb. 14). Blijkens de tekening had de voorhof bijna dezelfde afmetingen als de hoofdburcht. De voorhof zou een zwaar gefundeerd dienstgebouw en zelfs drie torens bevatten. Kennelijk was de wens de vader van de gedachte want deze tekening en de term "uitgestrekte grondslagen" staan in schril contrast met de nadere beschrijving die de Stuers elders in zijn publicatie over het voorhof geeft:
"Op het Buitenhof bevonden zich denkelijk de boerderij en de stallen; waarschijnlijk waren deze gebouwen van lichte materialen samengesteld en was deze hof eenvoudig van een omheining of palissadering voorzien. Althans daartoe doen de weinig belangrijke sporen van metselwerk, die men vond, besluiten" (71).
Toch is het niet ondenkbaar dat zich "uitgestrekte grondslagen" op de buitenhof bevinden. Want in 1986 werd met behulp van een wichelroede muurwerk "aangetoond" op plaatsen, die overeenkomen met de tekening op afb. 14 (72).
Op de voorburcht konden tot 1871 niet veel graaf- en metselwerkzaamheden worden uitgevoerd, omdat het terrein in gebruik was bij de pachter van de op de voorburcht staande boerderij. Deze boerderij was eigendom van L.G. van Hoorn uit Amsterdam. In 1871 liep het huurcontract van de Staat met de heer Van Hoorn af. Enschedé schreef de Minister dat Van Hoorn, vóór zijn vertrek, alle bomen die zich binnen en buiten de ruïne bevonden, had verkocht, "alsmede de boomen die in de steenen van de hoektoren (zuid-westtoren, aut.) gegroeid waren." (73). Voorts ontruimde c.q. sloopte Van Hoorn voor de beëindiging van het huurcontract al zijn gebouwen op rijksgrond.
Men kon nu, zonder rekening te moeten houden met het landbouwbedrijf van de pachter van Van Hoorn, opgravingen en reparaties verrichten.
Echter, met het aflopen van het huurcontract en het
vertrek van de pachter van de boerderij dienden zich een aantal problemen
aan:
- er
was geen toezicht meer op de ruïne. In verband met de vernielzucht van het
publiek pleitte Enschedé voor een bewaker op het complex;
- het werd noodzakelijk geacht een afscheiding te
maken tussen de andere gronden van Van Hoorn en die van het rijk; de kosten van
de afscheiding zouden ƒ 240,- gaan bedragen (voor het graven van 150 nederlandse
ellen sloot). Bovendien moest aan de ingang bij de weg een hek worden geplaatst:
dit zou ƒ 100,- gaan kosten;
- om
het voorburchtterrein vrij te maken zou een groot gedeelte van de 19de eeuwse
boerderij gesloopt moeten worden. Het gevolg daarvan zou zijn dat het
overblijvende gebouw dan aan één zijde open zou komen te staan. Het repareren
van deze ruimte zou ƒ 200,- gaan kosten; het met één kamer uitbreiden van dit
gebouw tot een bewakerswoning zou ƒ 800,- gaan kosten (74).
Voor het bewakingsprobleem meende Enschedé een
oplossing te hebben: voor de bewaking overdag stelde hij de Minister voor J. van
Baalen, logementhouder van "Velserend", met het toezicht te belasten. De toegang
tot de ruïne was immers langs het Logement gelegen. Van Baalen stelde als
voorwaarde, om bij het publiek enig gezag te kunnen uitstralen, dat hij als
"buitengewoon Rijksveldwachter" werd aangesteld (75).
De
Minister van Justitie keurde het plan af: hij wenste Van Baalen niet te benoemen
tot Rijksveldwachter "uit hoofde van zijn beroep" (76).
's-Nachts zou er toezicht kunnen zijn door een
Rijksveldwachter op de ruïne te huisvesten (77). Enschedé meende
op die manier twee vliegen in één klap te slaan: bewaking én huisvesting voor
een veldwachter die uit zijn woning was gezet. Deze veldwachter had problemen
gekregen met zijn huisbaas, Van Boreel van het buiten Beeckestein, toen hij
diens zoon tijdens een illegale jachtpartij had bekeurd.
De woning en de kinderen van deze plichtsgetrouwe
man hebben ooit de aandacht getrokken van de Rijksadviseur voor de
Monumentenzorg Fock: "De door Van den Berg (de veldwachter, aut.)
betrokken woning is een wanstaltig modern huisje" en "Intusschen beschadigen de
steeds in aantal aangroeyende kinderen van den veldwachter vrij het terrein en
de ruïnen van het slot ..." (78).
Zoals hierboven beschreven werd, als één van de eerste werken, het gewelf van de Buitenpoort in 1862 hersteld. Uit een in 1870 geschreven brief blijkt dat dit gewelf al weer op instorten staat. Ook was de in 1866 aangevangen restauratie van de walmuren in 1870 nog niet voltooid. Voorts moesten er nog reparaties aan de hoofdburcht en de kelders worden verricht. De fundamenten van de ronde toren, die al in 1862 opgegraven waren, moesten nog geheel hersteld worden (79). Reeds in 1864 en 1865 had dit metselwerk zwaar te lijden gehad van de vorst (80). Men mag zich dus in alle rede afvragen wat er in 1870 nog hersteld kon worden. Vermoedelijk heeft men het kapot gevroren metselwerk in zijn geheel vervangen. In de brief komt de zinsnede voor: "Mogten intusschen de werkzaamheden medevallen, hetgeen nog nimmer is geschied, ..." (81).
De begroting van 1871 omvatte o.a.:
ƒ 100,- voor "het bijwerken der muren van den
hoektoren, na het wegnemen der boomen" (zuid-westtoren, aut.);
ƒ 200,- voor het herstel van de ringmuur van de
hoofdburcht. Zodra de walmuur was gerepareerd zou men het jaar daarop kunnen
beginnen met het herstel van de hoofd- en voorburcht;
Enschedé stelde voor stenen van de te slopen
vestingwerken van Bergen op Zoom of Breda voor het herstel van de ruïne te
gebruiken. Hij wilde graag persoonlijk naar deze steden toegaan om de juiste
stenen te verkrijgen (82). De stenen van
deze vestingen bleken echter niet aan de eisen van Enschedé te voldoen. Hij
schreef dat de van de sloop van deze vestingwerken afkomstige stenen totaal
ongeschikt waren voor het herstel van de ruïne van Brederode. In Maastricht
zouden de gewenste stenen met het juiste formaat wel bij de sloop van de
walmuren echter wel beschikbaar komen (83).
Het formaat van de stenen dat Enschedé nodig had
voor de ruïne moest zijn: 29x13x6 of 29x13x9 cm. Hij had 4000 stenen nodig. Men
hoefde zich echter "niet al te strak aan de maat te houden", omdat "ze,
zoo niet voor het eene, dan toch voor een ander gedeelte der Ruïne van Brederode
kunnen dienen" (84).
In 1873 werd het voorstel gedaan de grachten rond de
voorburcht en -hof te ontgraven en de muren die bloot kwamen te liggen te
herstellen (85). Aan het eind van de ontgravingen bleek dat
er weinig voorwerpen waren gevonden (86).
De begroting voor 1873 werd ingediend door de
architect A. van der Steur jr. uit Haarlem. Op deze begroting stonden de
volgende posten:
- de
muren van de voorburcht met 75 cm. verhogen tot de thans bekende hoogte. In
1862-1863 had men het bij de opgraving beschikbaar gekomen puin en grond tussen
de hoofd- en voorburcht gestort. Nu dit terrein tot gracht werd uitgegraven
moesten er grondkerende muren worden opgemetseld;
- de te graven grachten moesten overbrugd worden:
- een brug tussen de voor- en hoofdburcht;
- een tijdelijke brug tussen het voorhof en de
voorburcht
- het
hout van de bruggen werd geteerd met "Moscovische teer"
(87).
In de begroting voor 1875, ook ingediend door Van
der Steur, werd geschreven dat er op de voorburcht een nieuwe pomp, omkleed met
grenen, moest komen (88). Dat deze pomp
er niet uit nostalgische overwegingen stond blijkt wel uit het feit dat de
beheerderswoning pas in 1951 werd aangesloten op de waterleiding. Als reden voor
de aansluiting werd aangevoerd, dat de pomp op de voorburcht jaarlijks te veel
geld voor onderhoud vergde (89).
In 1875 was de gracht voor het grootste gedeelte
ontgraven en "het ontblote fundeerwerk" hersteld. Ook was de brug naar de
Voorpoort gemaakt en de dam aldaar verwijderd (deze dam was bij de ontgraving
opgeworpen met puin dat van de ruïne afkomstig was (90).
In 1876
werd bij het uitgraven van de westelijke gracht een groot deel van een
cirkelvormige keermuur gevonden; deze muur wordt dan "circumvallatie-muur"
genoemd (91). Deze 15de eeuwse grondkeringsmuur zal later
door enkele onderzoekers voor het restant van een 13de eeuwse ringburcht worden
aangezien; zie hoofdstuk 1. Met het vinden van deze "circumvallatiemuur" zijn de
grote opgravingen te Brederode afgesloten.
Blijkens de begroting werd "slappe basterd" naast "portland
cementspecie" gebruikt. Voor het metselen werd gebruik gemaakt van specie
bestaande uit schelpkalk + tras + zand + portlandcement. De portland werd
gebruikt voor de laatste twee lagen, de afdeklagen (92).
In 1876
werd de opdracht gegeven een opmeting van de ruïne en een herstelplan te maken
(afb. x)* (93). Op deze plattegrond waren in bouwdelen 5,
7 en 8 tongewelven getekend. De opmeting werd op enkele plaatsen door P.J.H.
Cuypers gewijzigd. Hij had bijvoorbeeld in de Kemenade een aanzet voor een rib
van een kruisgewelf gevonden. Hij concludeerde hieruit dat de Ridderzaal en de
Kemenade oorspronkelijk kruis(rib)gewelven hebben gehad. Ook waren de ramen in
de oostgevel van ruimte 7 vergeten, die, aldus Cuypers, tegenover de schietgaten
lagen (94). Om een idee te geven van de
reconstructielust te Brederode: Cuypers trof één authentiek kraagsteentje aan
(noord-oosthoek Kemenade); in de huidige ruïne zijn er vier te
bewonderen. Degene die de opmeting in 1876 heeft gemaakt was dit kraagsteentje
ontgaan omdat het overige (gereconstrueerde) metselwerk geen aanwijzingen
bevatte voor de vorm van het gewelf. Op de plaatsen waar de op afb. 2 getekende
ribben van de kruisgewelven aan zouden moeten sluiten op het muurwerk, waren,
afgezien van het hierboven genoemde kraagsteentje, geen sparingen
gemaakt om de ribben op te nemen. In de 100 jaar die na 1876 volgden heeft men
kans gezien in de Ridderzaal en Kemenade 18 sparingen aan
te brengen, om de kruisribgewelf hypothese van Cuypers aannemenlijk te maken.
Opvallend is dat al deze sparingen evenwijdig aan de muur zijn uitgespaard;
behalve de enige oorspronkelijke, deze is overhoeks uitgespaard (afb. 2 en 9; de
noord-oosthoek van de Kemenade).
Er zijn twee identieke plattegronden met het jaartal 1876 bekend, één in de verzameling Peeters op de afdeling Bouwkunde van de T.U. te Delft en één in het Gemeente-archief van Haarlem (afb. 19**). Deze tekeningen zijn echter niet de door Cuypers gewijzigde opmetingstekeningen, omdat er noch tongewelven, noch kruisgewelven op aangegeven staan. Ook de ramen van bouwdeel 7 ontbreken.
Enschedé diende in 1880 een plan met bestek in voor de "bekroning" van de hoofdburcht. In de begroting zijn posten opgenomen voor het wegnemen van het puin, dat tussen de opgaande muren van het hoofdgebouw (lees: de Donjon) is gelegen en het daarvoor in de plaats brengen van betonspecie, afgedekt met portlandcement. Voordat dit werk kon worden verricht zou Cuypers eerst de "bekruining" van de toren moeten ontwerpen "in overeenstemming met den stijl van het Monument". Met het puin tussen de opgaande muren werd bedoeld de vulling tussen de bovenste lagen metselwerk, over een hoogte van 1 m.
Aan metselwerk werd begroot 41,2x0,5x2 m. (41,2 m3) en 30x0,33x2 m. (19,8 m3) met stenen afkomstig van de ruïne. Men was kennelijk voornemens de Donjon te bekronen met een twee meter hoge spouwmuur; de spouwbladen zouden, blijkens de genoemde dikten 0,33 en 0,5 m, steens respectievelijk anderhalfsteen worden. Volgens Cuypers was een bedrag van ƒ 2400,- noodzakelijk om deze werken uit te voeren (95). De begroting werd afgekeurd, omdat het bedrag het gereserveerde budget (ƒ 2000,-) te boven ging.
Er werd een nieuwe begroting gemaakt die uitging van slechts 32 m3 metselwerk. Voor de afdekking van de hoeken werd gekozen voor natuursteen: 0,25 m3. Ook in deze begroting is sprake van het verwijderen van het puin tussen de muren over een hoogte van ca. 1 m (96).
De voor de restauratie benodigde stenen konden worden verkregen uit de gesloopte vestingwerken in Groningen, van de vestingwerken om het Muiderslot of van het Muiderslot zelf. De afmeting van de stenen uit Muiden waren 25x13x5 en 26x12,5x6 cm en van de Groningse stenen 29x14x7 cm en 26,5x13x6 cm. Ondanks dit aanbod van diverse steenformaten spreekt Enschedé zijn bezorgdheid uit over het feit dat men de borstwering van de Donjon wilde metselen met grote stenen, terwijl de top van de Donjon juist van kleinere baksteen was (97).
De tweede, sobere versie van de "bekroning" werd uitgevoerd; voor het binnenblad van de spouwmuur paste men zelfs nieuwe stenen toe. Van een dak op de Donjon kon men nog 20 jaar dromen (98), want pas in 1903 werd de Donjon overkapt.
Op de begroting van 1882 komt dan ook geen kap voor, wel werd een ander voorstel van Cuypers uitgevoerd. Hij stelde voor het traptorentje naast de Donjon te herstellen met een gemetselde spits, zoals te zien is op een prent van Van der Velde naar een tekening van Saenredam (99).
Begroting 1882:
-
ophalen buitenmuur Donjon in portlandcement met oude steen;
- bekappen van traptorentje in portlandcement met
oude steen;
-
hardsteen boven de schietgaten in de muren van de Donjon;
- ophalen binnenmuur Donjon met nieuwe steen ter
dikte van 22 cm;
- het
afdekken van de buiten- en binnenmuur en de tussen de muur gelegen gang met hout
en (asfalt)papier.
Hieruit
blijkt dat men de ruimte tussen de spouwbladen met een houten afdekking met
daarop asfaltpapier heeft gedicht.
Bij deze begroting schreef Enschedé: "Aangezien volgens uit de op het gemeentearchief van Haarlem berustende teekening "Brederode ten deele nog in welstand" (welke teekening mij steeds gebleken is juist te zijn), blijkt dat het dak op het hoofdgebouw dadelijk rustte op de binnenmuren en dat de ruimten, waar de kapbinten zich inbevonden, op die hoogte bij de herstelling op mijne last zijn toegemetseld, zoodat het zeeker is dat de tinnen alleen een open gaanderij om het dak vormden en die tinnen gedekt waren met bruin-roode zweedsche hardsteen ..." (100). Enschedé bedoelt een natekening van de afbeelding uit het begin van de 17de eeuw (afb. 12).
Hij wilde dan ook een gedeelte van de in de begroting voorgestelde werkzaamheden (nl. de laatste twee) niet door laten gaan om het geld dat hierdoor werd bespaard "beschikbaar te houden voor zandsteen tot het dekken der tinnen". Het is merkwaardig dat hij spreekt over "zweedsche hardsteen" en "rode zandsteen" als zijnde hetzelfde. Zandsteen bestaat uit resten van verweerd gesteente, b.v. van graniet. Er bestaat Zweeds graniet, dat een rode kleur heeft.
De minister geeft toestemming om deze werken uit te voeren. Het is echter niet duidelijk of toen de tinnen met natuursteen zijn bedekt. Waarschijnlijk niet, want er werd voorgesteld de muren tegen inwatering te beschermen, door verglaasde tegels in portland-cement aan te brengen (101). Het is niet meer na te gaan of dit voorstel daadwerkelijk werd uitgevoerd, want de huidige tinnen bevatten geen verglaasde tegels (meer).
In 1883 zijn er poblemen met de vrije toegang tot de ruïne. Deze toegang verliep via de Brederoodseweg over twee weilanden. Bij één van de weilanden was de doortocht problematisch, omdat het hek door de eigenaar gesloten werd. Enschedé had er zelfs ontslag voor over, als hij maar niet met de onwelwillende eigenaar hoefde te onderhandelen over de vrije doorgang (102)!
In de begroting voor 1883 komen voor het eerst (en
niet voor het laatst) posten voor om de kwalijke gevolgen van het, in het begin
van de restauratie toegepaste, vulmuursysteem teniet te doen:
- het vernieuwen van enige vakken walmuur: 55 m3
metselwerk;
- ook
werd in de begroting een post opgenomen voor het arbeidsloon "voor
het opruimen en vervoeren van de daarin (in de walmuur) aanwezige puin en
grond." (103).
In 1890 werden de beschikbaar gestelde gelden al geheel gebruikt om ondeugdelijke restauraties te herstellen.. Enschedé mocht tot een bedrag van ƒ 500,- declareren. Dit werd besteed aan de bruggen en ingestorte muren. Het juk van de brug van de Voorpoort was bezweken en een gedeelte van de vierkante toren was ingestort.
Ook de recente restauraties aan de vierkante toren bleken de eeuwen niet te kunnen trotseren: "dat die muur van den vierkanten toren instort is een gevolg van het vulsel tusschen de muren dat is gaan uitzetten en niet goed in den tijd bezorgd is geweest omdat het wat zuinig behandeld moest worden." (104).
Om al deze problemen gecoördineerd op te lossen werd een nieuwe bouwkundig opzichter aangesteld: de Rijksbouwkundige voor de gebouwen van Onderwijs J. van Lockhorst. Deze geeft uitvoerig verslag van de toestand waarin de ruïne verkeerd: "wat betreft de bouwvallige muren, waarvan in de Ministeriële missive sprake is, onlangs is het noordelijk gedeelte van de zuidervierkante toren over eene oppervlakte van circa 9 m2 ingestort en in de gracht gevallen. Aan den zuidelijke muur van dienzelfde toren bevindt zich eveneens een dreigend gedeelte. Ook aan de binnenzijde zijn stukken uitgevallen en hier en daar treft men losse steenen en losse voegen aan. Het instorten van de bovenbedoelde muur vindt zijn oorzaak daarin, dat toen de lagere muren indertijd onder één niveau zijn opgetrokken, deze muren inplaats van massief te zijn opgehaald, aan de buiten- en binnenzijde slechts van geringe dikte zijn opgemetseld en de ruimte daartusschen met grond werd aangevuld. Dit zwakke metselwerk is nu door de instortingen bewezen tegen den druk der grond aanvulling niet bestand te zijn....Door de Heer van de Steur werden mij nog wel plus minus 130 strekkende meter muur aangewezen, die evenmin massief zijn opgehaald en waarvan dus vroeg of laat hetzelfde euvel te verwachten is." (105)
Ook de begroting van 1895 ademt de geest van herstel
van recente reparaties:
- het
opmetselen van een ingestort gedeelte muurwerk van de voorburcht;
- het herstellen en gedeeltelijk vernieuwen van de
dunne tegelvloer boven het poortgewelf in verband met inwateren;
- het herstellen van de voormalige bewakerswoning (106).
Hetzelfde geldt voor het jaar 1897: er werden herstellingen uitgevoerd aan boogjes, rollagen, waterlozingen en afdekkingen van de muren van de torens en de walmuren (107).
Kennelijk kon een minister het zich in de vorige eeuw nog veroorloven zich tot in nietige details bezig te houden met het, door derden uit te dragen, beleid: (brief van de Minister van Binnenlandse Zaken aan Lockhorst) "Ik heb de eer U te verzoeken aan de bewaker van het slot Brederode mede te delen dat hij gedurende de tijd dat het monument publiek toegankelijk is, gedekt moet zijn met een uniformpet van donkerblauw laken, volgens het model voor de marine voorgeschreven, doch om den rand tusschen de twee ponceauroode biesen voorzien van een goud-galon ter breedte van 3 centimeter en aan de voorzijde van een gekroonde W van verguld metaal. Deswege is door U ene declaratie aan mijn departement in te zenden ten laste van de post voor het onderhoud en de instandhouding van aan het Rijk behorende historische gedenktekenen. Dit kledingstuk kan jaarlijks eenmaal vernieuwd worden met gebruikmaking van de oude kroon en letter W." (108).
In 1902 werd een voorstel gedaan om de Donjon voor ƒ 2000,- te overdekken en geschikt te maken voor expositie van de gevonden voorwerpen (109). Dit voorstel werd uitgevoerd en in 1903 werden in de "gerestaureerde" Donjon de archeologische vondsten in een kast uitgestald (110). De Donjon werd van een schilddak voorzien en op de begane grond werden zogenaamde kloosterkozijnen aangebracht. Ook bij deze laatste reconstructie ging weer het een en ander mis: zo komen de kloosterkozijnen qua maat niet overeen met de, bij deze verdiepingshoogte horende, kozijnen van ná 1464. Zij zijn te smal uitgevoerd: zie hoofdstuk 3.
Met de overkapping van de Donjon is een einde gekomen aan de "grote restauratie" van de ruïne van Brederode. Van 1862 tot 1903 heeft men zich gedurende 40 jaren beziggehouden met opgraven, repareren en reconstrueren. In deze 40 jaar ziet men op Brederode een proces dat zich ook landelijk manifesteert: particulieren spreken hun bezorgdheid uit over het verval van het bouwkundige erfgoed; de overheid is slechts moeizaam te overtuigen van de noodzaak tot het beschikbaarstellen van financiële middelen. De eerste herstellingen zijn vooral reconstructies naar het ideaalbeeld dat men van een weerbaar middeleeuws kasteel had. Door het ontbreken van vakkennis bij de "restaurateurs" gaat er zowel bouwtechnisch als bouwhistorisch wel eens iets verkeerd. Pas tijdens de restauraties doet men kennis en vaardigheden op; er worden steeds meer specialisten ingeschakeld. Naast de bedenkingen die nu te uiten zijn over deze restauraties moet echter ook worden bedacht, dat het de grote verdienste is van deze enthousiaste restauratiepioniers, dat de ruïne van Brederode nog bestaat.
HOOFDSTUK 3: BREDERODE IN DETAIL
Inleiding
In het voorafgaande zijn de hoofdlijnen van de bouwgeschiedenis van de ruïne van Brederode behandeld. Hierbij zijn de relevante bouwsporen besproken. Sommige details zijn buiten beschouwing gelaten, omdat ze meer zeggen over het gebruik van het gebouw of over de wijze van bouwen van het kasteel. In dit hoofdstuk zal nader worden ingegaan op enkele van deze details. Sommige van hen zijn tot nu toe onopgemerkt gebleven, sommige zijn in het verleden verkeerd geïnterpreteerd.
Achtereenvolgens komen aan de orde:
1. het gebruik van hout in het kasteel.
1.1 kettingbalken in de Donjon;
1.2 houten traptreden;
1.3 houten tochtportalen;
1.4 het gebruik van kortelingen.
2. het venstertype vóór en na het herstel van
1464.
2.1
reconstructie venster vóór 1464;
2.2
reconstructie venster na 1464.
3. de
mysterieuze afgeschuinde hoeken van de zuid-westtoren.
4. de vele toiletkokers.
1. Het gebruik van hout in het kasteel
1.1 Kettingbalken in de Donjon
Tijdens het onderzoek bleek, dat bij de bouw van de
Donjon gebruik was gemaakt van een wapening van houten balken in de muren om
zijdelingse krachten in de toren tijdens het verhardingsproces van de mortel te
elimineren (afb. 1). Een dergelijke constructie komt ook voor in torens van
sommige kerken en kastelen, bijv. in de Donjon van het kasteel Duurstede en in
het kasteel Dever (111). De balken
lagen op het oorspronkelijke niveau van de eerste verdieping. Toen bij het
wijzigen van de verdiepingshoogten in 1464 de ramen voor de nieuwe eerste
verdieping in de muur werden uitgehakt, moesten de balken worden doorgezaagd,
omdat deze zich ongeveer halverwege de nieuwe vensters in de muur bevonden. De
gaten in de dagkanten van de vensters werden dichtgezet, maar de meeste zijn
tijdens het verval van de ruïne weer opengevallen en daardoor zijn op deze
plaatsen de balken verdwenen. Daar waar de afdichting is gehandhaafd zijn de
balken nog grotendeels aanwezig. Dit is o.a. het geval in een gedeelte van de
zuidmuur van de Donjon (lengte ca. 3 m) en een gedeelte van de oostmuur van de
Middentoren (lengte ca. 1½ m).
De
balken waren op de hoeken gekoppeld middels een kwarthouts loefverbinding. De
hoek is voorzien van een smeedijzeren nagel die zelfs gedeeltelijk is
ingemetseld, waardoor het lijkt of men deze verbinding niet vertrouwde. De nagel
zal echter zijn aangebracht om de kettingbalken tijdens de bouw te zekeren. In
de noord-westhoek is de nagel aangetroffen, in de noord-oost- en zuid-oosthoek
is hij mogelijk nog aanwezig.
1.2 Houten traptreden
Op drie plaatsen in het kasteel zijn de trappen tot
op grote hoogte bewaard gebleven: in de Kapeltoren en in de beide traptorens.
Hoewel gerestaureerd, is toch te zien hoe de oorspronkelijke constructie van de
traptreden is geweest. De treden bestaan uit metselwerk met daarop als aantrede
één of meerdere houten planken ter dikte van een baksteen (afb. 2). In de
traptoren tegen de Binnenpoort zijn nog resten van deze planken aangetroffen,
terwijl de trap naar de eerste verdieping van de Kapeltoren nog twee treden
heeft waar de hele plank bewaard is gebleven.
Het doel van een houten aantrede is duidelijk: door
het vele gebruik slijt de trap en een plank is eenvoudiger te vervangen dan een
laag metselwerk. Daar waar sporen bewaard zijn gebleven is te zien, dat de
aantrede zelf bestaat uit een brede en aan de voorzijde, een smalle plank. Deze
laatste is het meest kwetsbaar en kon dus apart worden vervangen.
1.3 Houten tochtportalen
Tussen de Donjon en de Middentoren bevindt zich de
toegang tot de traptoren aldaar. De vertrekken in beide torens zijn hier slechts
door één deur van elkaar gescheiden geweest. Deze deur bevond zich aan de zijde
van de Middentoren. Door deze constructie stonden de kamers in de Donjon in open
verbinding met de traptoren. Om koudeval tegen te gaan heeft men de toegangen
voorzien van een houten tochtportaal, waarvan de afdruk nog af te lezen is in de
west- en zuidwand van de desbetreffende vertrekken. De deur van het tochtportaal
bevond zich in de noordwand (afb. 3).
Omdat
zowel de begane grond als de eerste en tweede verdieping van de Donjon deze
sporen vertonen, mag men aannemen dat de tochtportalen pas na 1464 zijn
aangebracht. Immers, vóór deze datum bevatte de Donjon slechts twee verdiepingen
boven de kelder.
1.4 Het gebruik van kortelingen
Op diverse plaatsen in het kasteel bevinden zich
kortelinggaten in het metselwerk. Kortelingen zijn horizontaal geplaatste
balken, als onderdeel van een tijdelijke steiger en haaks in of tegen de muur
geplaatst, waarover de steigerdelen of horden werden gelegd (112). In de drie buitenhoeken van zowel de
Kapeltoren als de Donjon zijn de kortelinggaten echter diagonaal aangebracht om
plaatsing van steigerdelen op de hoeken mogelijk te maken (afb. 4). Een
plaatsing haaks op de muur is bij een hoek onmogelijk, omdat de kortelingen
elkaar anders in de muur zouden moeten kruisen. Niet iedereen is van dit
principe op de hoogte, getuige een schilderij van de toren van Babel uit de
Vlaamse School (afb. 5).
De
kortelinggaten bleven soms tientallen jaren open, soms ook altijd, mede om
toetreding van lucht in de muur voor het verharden van de kalkspecie mogelijk te
maken (113). Aan de binnenzijde werden deze gaten dan
afgesloten met en stukje hout of, zoals bij de ruïne van Brederode, met een
baksteen op zijn kant.
De hier
gevonden formaten van de kortelingen variëren van 8x8 cm tot 11x12 cm. op een
onderlinge horizontale afstand van 2 tot 3 m. Opmerkelijk is dat de kortelingen
in de hoogte niet regelmatig voorkomen. Bij de Kapeltoren komen ze alleen voor
op kelderniveau in één laag, met een uitzondering voor de zuidmuur, waar er zich
in de kelderwand nog een korteling op een iets hoger niveau bevindt. In de
Donjon komen ze zowel voor op kelderniveau als op het oorspronkelijke eerste
niveau. De Ridderzaal bevat twee lagen boven elkaar op kelderniveau, maar aan
authenticiteit van de bovenste laag moet worden getwijfeld, op het noordelijke
gat in de westgevel na.
In de westmuur van de Ridderzaal is de wijze van
inmetseling van de korteling nog duidelijk zichtbaar. In het metselwerk werd met
behulp van vier plankjes een koker gevormd, waarin men direct de korteling kon
leggen (afb. 6 onder). Dit om te voorkomen dat de korteling zich bij het
metselen van de muren aan de specie zou hechten en men hem niet meer zou kunnen
verwijderen.
In de
Kapeltoren wijkt de wijze van inmetseling af. Dit is waarneembaar in het tweede
kortelinggat van rechts in de westgevel. Omdat de baksteen op dit niveau van de
toren een grotere dikte heeft, heeft men eerst, om de hoogte te overbruggen,
tussen twee plankjes een bed van specie neergelegd en dat goed gladgestreken
(afb. 6 boven). Toen zal men het speciebed hebben moeten laten drogen om het
hechten aan de korteling te voorkomen, er zijn nl. geen sporen gevonden van een
plank aan de onderzijde.
In
sommige kortelinggaten is de plaats van de plankjes nog duidelijk waarneembaar,
vaak nog de afdruk van de houtnerf en zaagsnede in de specie.
2. Het venstertype vóór en na 1464
Na de gedeeltelijke verwoesting van het kasteel in
1426 werd pas in 1464 met het herstel begonnen. Alleen het noordelijke gedeelte
kon worden hersteld en daardoor kampte men met een ruimtegebrek, immers de helft
van het kasteel was verwoest. In de Donjon en Middentoren werden de
verdiepingshoogten verkleind, waardoor het aantal verdiepingen in beide
bouwdelen kon worden gewijzigd van twee in drie. Daarvoor moesten nieuwe
lichtopeningen in het muurwerk worden gehakt en men maakte van de gelegenheid
gebruik om de vensterbreedte aan de mode en mogelijkheden van die tijd aan te
passen. Een grotere breedte was mogelijk doordat de defensieve functie van het
kasteel afnam.
Welke
breedte de vensters vóór 1464 hebben gehad is niet nauwkeurig te bepalen. Er
zijn nog twee vensters met een mogelijk oorspronkelijke breedtemaat, nl. één in
de oostmuur van de eerste verdieping van de Kapeltoren: dagmaat ca. 68 cm en het
tweede in de westmuur op de begane grond van dezelfde toren: dagmaat ca. 72 cm.
Waarom het eerste venster niet is verbreed in 1464 zal hieronder nader worden
toegelicht.
Ook de
breedte van de lichtopeningen na 1464 is moeilijk te bepalen. De breedte
varieert van 98 cm in de noordmuur op de begane grond van de Kapeltoren tot 108
cm bij het venster in dezelfde muur op de eerste verdieping. Deze maat is de, in
het metselwerk uitgehakte, steendag, d.w.z. de dagmaat inclusief de dikte van de
kozijnstijlen. In de Donjon varieert die maat op de eerste verdieping van 110
tot 135 cm.
2.1 Reconstructie vensters vóór 1464
Bij de restauratie van de Donjon in 1903 zijn de
smalle vensteropeningen op de begane grond, ten onrechte, gereconstrueerd (114) (afb. 7). De vensters zijn, alweer ten
onrechte, uitgevoerd in baksteen met een getoogde tussen- en bovendorpel in de
vorm van een halfsteens rollaag (soms een dubbele halfsteens rollaag als
bovendorpel).
Tijdens
het onderzoek zijn op diverse plaatsen in het opgaande muurwerk stukken rode
zandsteen aangetroffen. Zij bevinden zich deels op hun oorspronkelijke plaats
als restanten van dorpels en deels als hergebruikt materiaal in gerepareerde
gedeelten.
De
laatst genoemde stukken zandsteen zijn niet gebruikt bij de restauratie eind
vorige eeuw, maar zullen bij het herstel in 1464 zijn verwerkt. Een aanwijzing
hiervoor vinden we in de zuid-oosthoek van de Binnenpoort. Aan de binnenzijde
van de poortdoorgang bevindt zich in het metselwerk een stuk rode zandsteen dat
kan worden gezien als een deel van een onderdorpel (mogelijk van een
tussendorpel, maar dan is het gedeelte waar zich de luiksponning bevindt
afgehakt) (afb. 8 en 9). Boven dit blok bevindt zich een stuk smeedijzer, dat
waarschijnlijk het restant is van een duim voor een poortdeur en is aangebracht
bij het herstel van het kasteel in 1464. Het is niet ongebruikelijk om onder
duimen een stuk natuursteen in het muurwerk op te nemen. Op meerdere plaatsen in
het kasteel zijn de sporen van een dergelijke constructiewijze waarneembaar en
bij het herstel van de deur tussen de Binnenpoort en de Middentoren zijn de
duimen op deze wijze in het muurwerk aangebracht.
Restanten van rode zandstenen dorpels bevinden zich verder in de noord- en westgevel van de Ridderzaal en de westgevel van de Binnenpoort (afb. 10). De vensters in de westgevel van de Ridderzaal hadden een hoogte van ca. 3,9 m. In het restant van één van de vensternissen in deze gevel bevinden zich nog een tweetal duimen voor luiken aan de binnenzijde. De duimen zijn bij de restauratie van 1968 vernieuwd en helaas te dicht op het muurvlak aangebracht, zodat er thans geen plaats meer is voor een duimhengsel.
Als laatste kan genoemd worden een stuk rode zandsteen dat zich bevindt in de Kapeltoren. Het eerdergenoemde venster in de oostmuur bevat een onderdorpel die zich nog op de oorspronkelijke plaats bevindt. In de dorpel is de afdruk van twee diefijzers waarneembaar (afb. 11), de afdruk van een dwarsijzer is nog zichtbaar in de rechter "kozijnstijl" (afb. 12). Deze kozijnstijl is gemetseld in baksteen, waardoor een reconstructie van de vensters van vóór 1464 mogelijk wordt (afb. 13 en 14). Merkwaardig is wel dat noch in de bakstenen stijl, noch in de zandstenen onderdorpel een spoor van een luik- of glassponning waarneembaar is.
Met deze reconstructie als basis mag men veronderstellen, dat ook in de rest van het kasteel een dergelijk type is toegepast: een bakstenen venster met natuurstenen dorpels, maar dan waarschijnlijk in de vorm van een klooster- of kruisvenster.
2.2 Reconstructie vensters na 1464
De best bewaarde sporen van vensters van ná 1464 bevinden zich in de Kapeltoren. Hier is duidelijk zichtbaar dat het metselwerk is uitgehakt om een bredere lichtopening te krijgen (afb. 15). In de uitgehakte delen heeft men echter wel een kozijn geplaatst. De sporen van de specie waartegen dit kozijn is aangedrukt zijn nog te zien. Hoe de detaillering van de vensters er na 1464 uitzag is niet bekend, noch het materiaalgebruik, omdat sporen ervan ontbreken. Ook over de indeling is niets bekend. Een vensterbreedte van 1 m. maakt een glas in lood raam bijna onmogelijk, maar voor een kruiskozijn of bolkozijn is het net weer te smal.
Sommige kozijnen waren na 1426 mogelijk nog intact of men heeft ze uit kostenbesparing gehandhaafd: zoals gezegd bevinden zich in de noordgevel van de Ridderzaal en de westgevel van de Binnenpoort de resten van dorpels uitgevoerd in rode zandsteen. Het venster in de noordgevel van de Ridderzaal heeft een tussendorpel bestaande uit drie stukken, boven elkaar gelegen zandsteen, die alle drie een luiksponning aan de buitenzijde hebben.
De huidige lichtopeningen hebben aan de bovenzijde een steens of dubbele halfsteens rollaag. Daaronder begint direct de lichtopening. De vensters van na 1464 hadden echter, in ieder geval in de Kapeltoren, onder de rollaag nog drie lagen metselwerk. De onderste laag lag iets terug en hier sloot de bovendorpel op aan. Deze constructie is nog zichtbaar bij het venster in de oostmuur van de begane grond van de Kapeltoren op een ansicht uit ca. 1910. Thans is dit bouwspoor verdwenen.
De nis van het bovengenoemde venster in de oostwand op de eerste verdieping van de Kapeltoren bevatte aan de zuidzijde in oorsprong een stookplaats. Van de ontlastingsboog boven het stookgat is nog één steen aanwezig. Na 1464 voldeed de stookplaats blijkbaar niet meer en zijn venster en -nis dichtgezet, waardoor de oorspronkelijk breedte van de lichtopening hier behouden bleef. Aan de voorzijde van de vensternis werd een nieuwe stookplaats aangebracht (afb. 16). Van de achterwand hiervan resten nog vier lagen metselwerk, vóór de restauratie van 1968 echter nog 16 lagen! Opvallend is dat het vertrek vóór 1464 dus alleen verwarmd werd door een stookplaats in een vensternis.
3. De mysterieuze afgeschuinde hoeken van de zuid-westtoren.
De zuid-westtoren werd in 1863 gedeeltelijk
ontgraven. Een gehele ontgraving was onmogelijk, omdat twee essen in het
muurwerk waren gegroeid: "In het
volgende jaar (1863) werd de ontgraving voortgezet en bereikte men den vierkante
hoektoren (zuid-westtoren), waar het puin 2,09 m. hoog lag; men vermocht aldaar
het puin niet geheel weg te ruimen vanwege twee eschboomen, die hun wortels zoo
diep in het metselwerk geschoten hadden, dat het wegnemen daarvan schade zou
aangebracht hebben." (115)
Pas in 1872 zou men het overige deel van de toren
kunnen opgraven. De wortels van de esdoorns moeten een verwoestende uitwerking
hebben gehad op het muurwerk. Na de vrijlegging van de muren is een foto
gemaakt, waarop is te zien, dat het restant van de oostmuur van de
Tedburghatoren niet boven het maaiveld uitkwam (afb. 17). Door het onderzoek is
inmiddels vast komen te staan, dat ook de overige muren van deze toren niet of
nauwelijks boven het maaiveld uitkwamen. Het huidige muurwerk is in de vorige
eeuw op de restanten als vulmuur opgetrokken. Al in 1890 is een deel van het
nieuwe metselwerk aan de noordzijde van de toren gedeeltelijk ingestort en
daarna weer hersteld (116).
Zoals gezegd: de toren heeft geen oorspronkelijk
metselwerk in de gevels. In de kern van de muren zou dit metselwerk eventueel
het niveau van het kelderloopvlak kunnen bereiken. Het is om die reden
onbegrijpelijk dat men in de 19de eeuw 1 m. boven dit loopvlak aanwijzingen
heeft kunnen vinden, dat de hoeken van de toren afgeschuind waren. Merkwaardig
genoeg heeft men niet meteen alle hoeken afgeschuind, de toren heeft sinds de
opgraving vijf gedaantewisselingen ondergaan voordat de huidige vorm werd
bereikt (afb. 18).
De
eerste informatie over een hoek van de toren is zichtbaar op de genoemde foto
uit ca. 1871. Precies op de zuid-oosthoek van de toren heeft een boom zijn
"wortels zoo diep in het muurwerk geschoten" (117) (afb. 17).
Volgens een plattegrond uit 1876 heeft de toren drie
afgeschuinde hoeken (afb. 19). Blijkens een tekening uit 1879 was alleen de
zuid-oosthoek afgeschuind (afb. 20). Merkwaardig genoeg geeft de plattegrond in
de publicatie van De Stuers juist alleen aan de westzijde twee afschuiningen
weer en aan de zuid-oosthoek niet (118). Blijkens oude
prentbriefkaarten was de afschuining van de noord-westhoek na 1903 weer als
massieve hoek gerepareerd (119). De aanheling
tekent zich thans nog in het metselwerk af. In de huidige situatie is de
zuid-oosthoek weer van een afschuining voorzien.
4. De vele privaatkokers.
Bekijkt men de plattegrond van het kasteel, dan valt
onmiddellijk het grote aantal privaatkokers op. Algemeen wordt aangenomen dat
het aantal verdiepingen van een toren is af te lezen aan het aantal
privaatkokers, nl. één per verdieping. Dit gaat niet op voor de ruïne van
Brederode.
Uit het
onderzoek is gebleken dat bijv. de Donjon vóór 1426 niet meer dan twee
verdiepingen boven de kelder had. Mogelijk nog een derde, de zolderverdieping,
maar daar zijn tot op heden nog geen aanwijzingen voor gevonden. De oostmuur
bevat de koker behorend bij de begane grond, de oostelijke koker in de noordmuur
behoort bij het oorspronkelijke eerste niveau. Waartoe de andere kokers behoren
is niet duidelijk. De koker in de westmuur behoort bij het huidige eerste niveau
en de toegang hiertoe is dus ná 1464 in het muurwerk uitgehakt. Waar deze koker
bij hoorde vóór 1464 is niet duidelijk en voor de westelijke afvoer in de
noordmuur is ook nog geen verklaring.
C.J. Willems, die een maquette heeft gemaakt van het
kasteel rond 1300, is de eerste die zich met het vraagstuk van de vele afvoeren
heeft beziggehouden (120). Hij meent dat
een deel van de kokers was bestemd voor de afvoer van regenwater. Wanneer men
echter bedenkt, dat twéé kokers in oorsprong niet aansloten op een gemak, nl. de
westelijke in de noordmuur en de koker in de westmuur, dan lijkt deze
mogelijkheid niet aannemelijk. Eén van de kokers zou kunnen hebben gediend voor
een privaat op de weergang en dan tegelijkertijd als hemelwaterafvoer. Voor de
andere koker is dan nog steeds geen oplossing. Daar komt nog bij dat de
zuidelijke afvoer in de noordelijke koker van de Middentoren óók uitmondde op de
weergang en twee privaten zo dicht bij elkaar lijkt niet aannemelijk.
Een dergelijk probleem speelt ook bij de Kapeltoren.
Op de begane grond bevond zich vóór 1426 geen privaat; het huidige is pas in
1464 in de noordmuur uitgehakt. Tot nu toe is aangenomen dat dit privaat
uitmondde in de koker van de verwoestte tweede verdieping, maar deze is nooit
aangetoond. Wanneer de toren géén tweede verdieping heeft gehad, dan zou de
koker afkomstig zijn van de weergang, maar aan de zuidzijde van de toren bevindt
zich een koker die eveneens van de weergang toegankelijk was.
Een andere verklaring is volgens Willems het
metselen van de kokers voor het optisch effect (121). De torens zouden dan hoger en steviger
lijken. Het feit dat de kokers hol zijn pleit hiertegen, immers waarom zou men
bij het metselen van de muren de kokers niet direct massief maken? De enige
reden hiervoor zou kunnen zijn, dat men bij de bouw nog niet wist waar men de
privaten wilde plaatsen. Dit lijkt onlogisch en bovendien is nergens aangetoond
dat de oorspronkelijke privaten in het muurwerk zijn uitgehakt.
Een derde mogelijkheid die Willems oppert, is het
gebruik van kranen op het werk. De constructie van deze kranen bestond volgens
hem o.a. uit dikke houten balken die in, in de muur uitgespaarde, gaten stonden
(122). Bij Brederode zouden deze balken dan in
speciaal daarvoor gemetselde kokers aan de buitenzijde van het eigenlijke
muurwerk hebben gestaan. De balken gingen met het metselen van de muren mee
omhoog en moesten dus aan de onderzijde worden gestut. Dichtmetselen van de
kokers was dan echter niet meer mogelijk en sporen van een andere ondersteuning
zijn niet aangetoond. Men moet dus gebruik hebben gemaakt van balken, die bij
voorbaat al de lengte hadden van de te verwachten hoogte van het gebouw, maar
het was dan onmogelijk deze balken na beëindiging van de bouw uit de kokers te
verwijderen, waardoor gebruik als privaatafvoer niet meer mogelijk was. Ook deze
oplossing lijkt niet aannemelijk.
Een
laatste (?) verklaring zou kunnen zijn, dat men bij de bouw van de torens meer
verdiepingen heeft gepland dan uiteindelijk zijn gerealiseerd. Uitgaande van de
oorspronkelijke verdiepingshoogten zouden dit dan hoge torens zijn geworden met
voor bijv. de Donjon een hoogte van ruim 30 m.
Vooralsnog blijft de aanwezigheid van de vele kokers een raadsel.
Delft,
1990
Gepubliceerd in: KNOB Bulletin 89(1990)4, blz. 2-24.
1. J.S.
Visser, "De ruïne van Brederode", Santpoort 1933[2], 34 e.v.
2. E.
Viollet-le-Duc, "Dictionnaire raisonné de l'architecture Francaise du XIe au
XVIe siècle", deel V, Parijs 1875, 34-96.
3. "Berichten
en mededeelingen", Nederlandsche Kunstbode, (1876)7, 54-55. Over de echtheid van
deze tekening is in de vorige eeuw een forse discussie ontstaan. Sommigen
meenden dat de tekening volledig verzonnen was; anderen meenden dat hij toch wel
betrouwbare elementen bevatte. In de Kunstbode nr. 8 verscheen een kritiek op
het artikel in de Kunstbode nr 7. van de hand van J.A. Alberdingk Thijm. Hij
meende "dat het (de prent) een ellendig verdichtsel is, waarin de misschien
betrouwbare bestanddeelen onbruikbaar worden door de domme toerusting der
stoffeering, die volstrekt in de XVe eeuw niet thuis behoort." Hij was dus de
mening toegedaan, dat de prent mogelijk wel betrouwbaar was gezien de
detaillering van ondermeer de gevels (opklapbare luiken van de kapeltoren en de
latrinekokers.
In de reactie van de Kunstbode op het ingezonden
stuk van Alberdingk Thijm werd gesuggereerd, dat de tekening van de hand was van
Klaas Kolijn. Deze had ook al een uiterst onbetrouwbare kroniek geschreven. Ook
wanneer de tekening niet uit 1499 dateert, dan zou men toch mogen aannemen dat
het misschien een kopie is naar een niet meer voorhanden zijnd origineel.
4. J.S. Visser
o.c. 99, 112.
5. A.J. van
der AA, "Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden", tweede deel, Gorinchem
1840, 710.
6. J.W.
Groesbeek, "Middeleeuwse Kastelen van Noord-Holland", Rijswijk 1981, 74.
7. De
Geologische kaart is getekend naar gegevens van de Rijksplanologische Dienst,
district west. Het concept van deze door A.P. Pruissen samengestelde geologische
kaart is vriendelijk ter beschikking gesteld door ir. W. de Gans.
8. S.
Jelgersma e.a., "The coastal dunes of the western Netherlands; geology,
vegetational history and archeology", Mededelingen Rijks Geologische Dienst,
nieuwe serie nr. 21, 1970, 147.
9. A.J. Allan,
"De ruïne van Brederode", serie "Nederlandse Kastelen", deel XLVIII, s.l. 1983,
6.
10. Ibid.
11. M.F.
Mörzer Bruijns & R.J. Benthem, "Spectrumatlas van de Nederlandse
Landschappen", Utrecht 1979, 211: "Enerzijds zijn vooral door invloed van
ontbossing en het uitzetten van kozijnen verstuivingen ontstaan...".
12. A.J.
Allan o.c. 5.
13. Ibid. 11.
14. J.
Verdam, "Middelnederlandsch Handwoordenboek", 's-Gravenhage, 1981[3], 497.
15. A.J.
Allan o.c. 13.
16. Ibid. 30.
17. P.E. van
Reyen, "De Ruïne van Brederode", IJmuiden 1965, 3 en 18.
18. A.J.
Allan o.c. 30.
19. F. van
Mieris, "Groot charterboek der graaven van Holland, van Zeeland en heeren van
Vriesland", deel II, Leyden 1754, 251-252, 260.
20. H.M.
Brokken, "Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten", Zutphen 1982, 236
e.v. De finaciële nood van de Brederodes kan ook ontstaan zijn door de
ambitieuze bouw van het kasteel.
21. V. de
Stuers, "De Ruïne van Brederode", Haarlem 1880[2] 8.
22. P.E. van
Rijen o.c. 5.
23. H.M.
Brokken o.c. 236 e.v.
24. Ibid. 32.
25. Algemeen
Rijksarchief (ARA), archief Graven van Holland 889-1581, inv. no. 1933, fol. 21r
- 26v. Over de Nieuwburg: J.G.N. Renaud, "De Nieuwburg bij Oudorp, opgraving en
historische achtergrond", Alkmaars Jaarboekje, Alkmaar 1971, 50 - 66.
26. ARA,
archief Graven van Holland 889-1581, inv. no. 1933, fol. 21r - 26v. In dezelfde
inventaris komen meer rekeningen voor betreffende wapenknechten met paarden.
Zeven soldaten worden zelfs met naam genoemd.
27. A.J.
Allan o.c. 20.
28. P.E. van
Rijen o.c. 6.
29. H.M.
Brokken o.c. 93.
30. ARA,
archief Graven van Holland 889-1581, inv. no. 1540, fol. 26.
31. A.J.
Allan o.c. 20.
32. Een
analogie met het Muiderslot dringt zich hier op. J.G.N. Renaud, "De
bouwgeschiedenis van het Muiderslot", Bull. Kon. Ned. Oudh. Bond, serie 6, 7
(1954), 193-211.
33.
Vriendelijke mededeling Prof. Dr. J.G.N. Renaud.
34. Het
bestaan van de tweede verdieping van de Kapeltoren wordt afgeleid van het
bestaan van de noordelijke privaatkoker van deze toren. Deze koker was
(oorspronkelijk) niet vanuit de kelder, begane grond of eerste verdieping te
benutten. De Donjon (bouwdeel 3) beschikt over twee kokers die niet vanaf de
oorspronkelijke verdiepingen te gebruiken waren. Hieruit kan afgeleid worden,
dat ook deze toren hoger is geweest. Door het ontbreken van metselwerk op deze
hoogte is het bestaan van deze verdiepingen niet te bewijzen. Ook mag niet
uitgesloten worden, dat men bij de bouw zeer hoge torens in gedachten had en de
daarvoor benodige kokers in met muurwerk uitspaarde. De uitvoering kan minder
ambitieus zijn geweest: daarom werden enkele kokers onbenut belaten.
35. V. de
Stuers o.c. 8.
36. A.J.
Allan o.c. 37.
37. P.E. van
Reijen o.c. 9.
38. E.H. Ter
Kuile, "Brederode", Elseviers geïllustreerd maandschrift, 47(1937)94, 158.
39. Ibid.
158.
40. P.E. van
Reijen o.c. 3, 18
41. C.
Willems, "De ruïne van Brederode, een reconstructie en bouw van een maquette
naar de situatie rond 1300", Zuthpen 1986, 4. (Een niet uitgegeven
verantwoording van de reconstructie).
42. A.J.
Allan o.c. 25.
43. E.H. Ter
Kuile o.c. 158.
44. A.J.
Allan o.c. 36 e.v.
45. E.H. Ter
Kuile o.c. 160.
46. Onderzoek
uitgevoerd door ir. E.J. Nusselder.
47. P.E. van
Reijen o.c. 6.
48. V. de
Stuers o.c. 5.
49. ARA,
archief van Binnenlandse Zaken, Afdeling Onderwijs, 1848-1876, 417.
50. Ibid.
417, 07-04-1862.
51. Ibid.
424, 25-06-1862.
52. Ibid.
53. V. de
Stuers o.c. 6-7.
54. ARA,
archief van BiZa, Onderwijs 1848-1876, 430, 19-09-1862.
55. ARA,
archief van Binnenlandse Zaken, Kunsten en Wetenschappen, 1875-1918, 1366,
07-06-1862.
56. Ibid.
1366, jaar 1863.
57. ARA,
archief van BiZa, Onderwijs 1848-1876, 442, 26-02-1863.
58. V. de
Stuers o.c. 7-8.
59. ARA,
archief van BiZa, Onderwijs 1848-1876, 475, 29-03-1864.
60. Ibid.
61. Ibid.
503, 24-01-1865.
62. Ibid.
63. Ibid. 525,
08-09-1862.
64.
Ibid. 553, 07-06-1866.
65. Ibid. 540, 15-01-1866.
66. Ibid. 579, 24-01-1867.
67. V. de Stuers
o.c. 7-8.
68.
ARA, archief van BiZa, Onderwijs 1848-1876, 613, 21-01-1868.
69. V. de Stuers
o.c. 8.
70.
Ibid.
71. V.
de Stuers o.c. 9-10.
72. Onderzoek uitgevoerd door ir. E.J. Nusselder.
73. ARA, archief van
BiZa, Onderwijs 1848-1876, 664, 18-04-1871.
74. Ibid. 661, 20-01-1871.
75. Ibid. 662,
24-02-1871.
76.
Ibid. 664, 18-04-1871.
77. Ibid. 662, 24-02-1871.
78. ARA, archief van BiZa, K. en W.
1875-1918, 1366, jaar 1873.
79. ARA, archief van BiZa, Onderwijs 1848-1876, 650,
02-02-1870.
80.
Ibid. 503, 24-01-1865.
81. Ibid. 650, 02-02-1870.
82. Ibid. 661, 20-01-1871.
83. Ibid. 664,
18-04-1871.
84.
Ibid. 665, 13-05-1871.
85. Ibid. 691, 22-04-1873.
86. Ibid. 716, 18-02-1871.
87. ARA, archief van
BiZa, K. en W. 1875-1918, 1366, jaar 1873.
88. Ibid.
89. Rijksgebouwendienst, Centrale directie
's-Gravenhage (RGD), Oud archief Ruïne van Brederode, brief gedateerd
19-10-1951.
90.
RA, archief van BiZa, K. en W. 1875-1918, 1366, jaar 1873.
91. Ibid. 1366, jaar
1876.
92. Ibid.
1366, jaar 1873.
93.
Ibid. 1366, jaar 1876.
94. Ibid. 1366, 30-12-1880.
95. ARA, archief van BiZa, K. en W.
1875-1918, 1366, jaar 1880.
96. Ibid. 1366, 28-12-1880.
97. Ibid. 1366, jaar 1880.
98. Ibid. 1366,
13-08-1881.
99.
Ibid. 1366, 05-08-1881.
100. Ibid. 1366, jaar 1882.
101. Ibid. 1366, jaar 1882.
102. Ibid. 1366,
jaar 1883.
103.
Ibid. 1366, jaar 1883
104. Ibid. 1367, 22-02-1890.
105. Ibid. 1367,
25-04-1890. Slechts 20 strekkende meter, de westmuur van de ridderzaal en de
kemenade, is in het begin van de 20ste eeuw vervangen nadat zij in de gracht was
gegleden. De overige vulmuren staan dankzij intensieve en kostbare reparaties
nog steeds overeind. In deze eeuw verkeerde men bijvoorbeeld in de
veronderstelling dat de walmuren massief opgemetseld waren. Om kapotvriezen van
de muren te voorkomen werden in 1981 de lagere walmuren geïmpregneerd tegen
vocht; in totaal is 1050 m3 walmuur behandeld. Impregneren beschermt de muren
echter niet tegen het optrekkende vocht in de muurvulling (aarde en puin).
Daarom is ook nu nog bevriezing van de vochtige muurvulling de oorzaak van grote
scheurvorming in het metselwerk. Men moet zich gaan afvragen of het verantwoord
is, tot in lengte van jaren door te blijven gaan met het repareren van muurwerk,
dat vanwege zijn constructie geen lang leven beschoren is. Vernieuwing zou hier
op zijn plaats zijn en op den duur goedkoper in onderhoud.
106. ARA, archief
van BiZa, K. en W. 1875-1918, 1367, jaar 1885.
107. Ibid. 1367, jaar 1887.
108. ARA, archief
van BiZa, K. en W. 1875-1918, 1367, 17-06-1989.
109. Ibid. 1367, jaar 1902.
110. Ibid. 1367,
jaar 1903.
111.
R.J. Top, "De Donjon van Kasteel Duurstede", Castellogica 1986, 175 en A.M.
Hulkenberg, "Dever", serie "Nederlandse kastelen", deel XXX, s.l. 1977.
112. E.J.
Haslinghuis, Bouwkundige termen, Utrecht/Antwerpen 1986[2], 217.
113. Ibid. 217.
114. De huidige
verdiepingshoogten en de verdeling van de lichtopeningen dateren van ná 1464 en
de huidige smalle vensters horen bij het uiterlijk van het kasteel van vóór
1426.
115. V.
de Stuers o.c. 7.
116. ARA, archief van BiZa, K. en W. 1875-1918, inv.nr.
1367, 25-04-1880.
117. V. de Stuers o.c. 7.
118. Ibid. tegenover pag. 10.
119. De foto's zijn
dateerbaar, omdat in 1903 de donjon werd voorzien van een dak, dat zichtbaar is
op de bedoelde ansichten.
120. C.J. Willems o.c. 7-8.
121. Ibid.
122. Ibid.